Connie Palmen had beter vak kunnen leren

Connie Palmen is geen filosoof omdat zij zich "gedoemd' voelt om te geloven, oordeelde J.L. Heldring vorige maand op deze pagina. De gelovige aanvaardt immers, terwijl de filosoof juist alles betwijfelt. De Leidse filosoof Philipse signaleert echter een probleem: de grote filosofen van deze eeuw zijn het er zelf niet over eens wat filosofie is.

Connie Palmen is geen filosoof, concludeerde J.L. Heldring in deze krant op 10 september. De schrijfster had in een interview gezegd dat haar “een pessimisme... aankleeft ten aanzien van de waarheid”. “Daarom voel ik me gedoemd om te geloven. De meest fundamentele houding tegenover de waarheid is een religieuze houding.” Zonder over het laatste te willen twisten, trekt Heldring uit de geciteerde zinnen zijn conclusie. Want “iemand die zichzelf gedoemd acht te geloven, is geen filosoof. Hij ...aanvaardt.., terwijl de filosoof, steeds op zoek, alles aan twijfel onderhevig maakt.”

Zowel de woorden van Connie Palmen als die van Heldring geven aanleiding tot enig commentaar. Wat Palmen betreft: is iemand die gelooft pessimistisch over de waarheid? De gelovige gelooft dat het waar is wat hij gelooft, of hoopt tenminste dat de waarheid hem door genade zal geworden indien hij maar de religieuze houding aanvaardt. Dat lijkt me eerder rijkelijk optimistisch ten aanzien van de waarheid! Gesteld namelijk “dass die Wahrheit ein Weib ist”, zoals Nietzsche schreef, dan is het duidelijk dat ze zich alleen met sluwe list, volharding en veroveringswil laat vangen. Is dàt het wat Connie Palmen pessimistisch maakt? Voelt ze zich dus “gedoemd om te geloven” door ... gemakzucht?

Maar het gaat mij niet zozeer om Connie Palmen; het gaat mij om de filosofie. Heeft Heldring gelijk dat een gelovige geen filosoof kan zijn? Natuurlijk, men mag woorden definiëren zoals men wil en Heldrings definitie van "filosofie' is mij bepaald sympathiek. Maar is het ook de definitie die filosofen zelf geven? Wat is filosofie? Het probleem is: de grote filosofen van de twintigste eeuw zijn het er niet over eens. Er bestaat een breed scala van opvattingen, variërend van het Denken van Heidegger, dat nogal lijkt op geloven, tot de wetenschappelijke of "naturalistische' opvatting van wijsgeren als Bertrand Russell en Willard Van Orman Quine, volgens welke filosofie een abstracte en overkoepelende tak is van de (natuur)wetenschap.

Men stelle zich voor welke verwarring zich van studenten in de wijsbegeerte meester moet maken! Hoe kan men iets studeren dat op zo verschillende wijzen wordt gedefinieerd? Bij Heidegger gaat het om een bepaalde "grondhouding', bij Wittgenstein om subtiele analysen van taalgebruik, en volgens de naturalistische conceptie dient de filosoof te beschikken over grondige kennis van enkele vakwetenschappen. Op welke intellectuele deugden moet een student in de filosofie zich richten? Wat voor de ene stroming een deugd is, is voor de andere een doodzonde. Kritische discussie, volgens Karl Popper het hart van de filosofie, is volgens Heidegger niet meer dan “die Geschäftigkeit des Widerlegenwollens”, en behoort tot “jene Kleingeisterei, deren Auslassungen die Öffentlichkeit zu ihrer Unterhaltung bedarf”.

Gezien deze verwarring mag Connie Palmen best "filosoof' genoemd worden. Misschien is de verwarring zelfs de oorzaak van haar pessimisme ten aanzien van de waarheid. Connie Palmen studeerde filosofie aan de Universiteit van Amsterdam. Stort de studie in de filosofie door alles aan twijfel onderhevig te maken, zelfs wat filosofie zelf is, de studenten in een wanhopig pessimisme, waardoor ze zich ten einde raad “gedoemd voelen om te geloven”? O ironie der academische opleidingen!

Indien niemand weet wat filosofie is, kunnen we de minister van onderwijs niet verwijten dat hij dit ook niet weet. Ongeveer twee jaar geleden, in NRC Handelsblad van 7 september 1991, heb ik betoogd dat de universitaire studie in de wijsbegeerte onbedoeld de dupe is geworden van inconsequenties in de onderwijswetgeving en dat beperking van de studieduur tot vijf jaar een verantwoorde opleiding in de filosofie onmogelijk maakt. Niet erg!, zal de lezer gezien het bovenstaande wellicht concluderen. Wèl erg, wil ik hieronder betogen op grond van een antwoord op de vraag wat is filosofie? Stellig, zo'n antwoord hoort eerder thuis in de collegezaal dan in de krant. Daarom beperk ik me tot enkele wezenlijke zaken.

Om te beginnen: de begripsverwarring over de filosofie is een recent verschijnsel. Meer dan tweeduizend jaar lang waren filosofen het min of meer eens over de definitie van de discipline. Plato en Aristoteles kwamen op grond van hun visie op de vakwetenschappen tot de conclusie dat deze gefundeerd moeten worden door een alomvattende fundamentele wetenschap, de filosofie of metafysica. De metafysica zou de diepste aard van de werkelijkheid begripsmatig articuleren en daardoor de vakwetenschappen hun grondbeginselen, hun fundamentele begrippen en hun plaats temidden van de andere vakwetenschappen toewijzen. Dit is de notie van filosofie die tot in het begin van onze eeuw gangbaar was.

Waarom verdedigt tegenwoordig vrijwel niemand meer deze conceptie van filosofie of metafysica als algemene funderende wetenschap? De funderingsgedachte is gesneuveld door interne wijsgerige kritiek, door wetenschappelijke ontwikkelingen zoals de niet-Euclidische meetkundes, de Relativiteitstheorie en de Quantummechanica, en door het verschijnsel van revolutionaire wetenschappelijke vooruitgang in het algemeen. Ook is het klassieke idee van een algemene theorie over de werkelijkheid een luchtkasteel gebleken, ofschoon het voortleeft in de hoop van fysici op een "theory of everything'. We kennen de werkelijkheid slechts fragmentarisch, ook al leidt de ontwikkeling van de wetenschap zo nu en dan tot wetenschappelijke unificatie (binnen de fysica, tussen chemie en fysica, of in de biochemie, bij voorbeeld). Wat resteert er dan van het oorspronkelijke metafysisch-filosofische project, andere takken van wijsbegeerte zoals logica en ethiek daargelaten?

In de eerste plaats blijven er wijsgerige problemen met betrekking tot vakwetenschappen bestaan. Geldt het beginsel van de uitgesloten derde onverkort in de wiskunde? Is het zinvol een aparte logica te ontwikkelen voor de Quantummechanica? Zijn in beginsel betrouwbare voorspellingen in de sociale wetenschappen mogelijk? In de tweede plaats zijn er vragen die de relaties tussen de vakwetenschappen betreffen, terwijl een wetenschappelijke beantwoording van die vragen voorlopig of zelfs principieel buiten ons bereik ligt. Hoe verhoudt de psychologie zich tot neurofysiologie? Is het mensbeeld van de biofysica te rijmen met dat van het recht en de moraal? Zijn geloof en theologie te combineren met natuurwetenschap? Ondanks hun verschillende concepties van filosofie trachten alle hedendaagse filosofen dergelijke vragen te beantwoorden. In plaats van een fundering der wetenschap te kunnen geven, is de wijsgeer in toenemende mate afhankelijk geworden van resultaten der vakwetenschappen.

Uit deze overwegingen volgen twee belangrijke conclusies, waarmee ik wil eindigen. Ten eerste: een goede opleiding in de filosofie vereist een gedegen studie van één of meer vakwetenschappen. Dit wordt onmogelijk gemaakt door de beperking van de studieduur tot vijf jaar. Het jongste plannetje van minister Ritzen ter oplossing van zijn financiële problemen, het verbod op "stapeling' van opleidingen, maakt niet alleen een onnodige inbreuk op de vrijheid van de burger, zoals E.J. Bomhoff op 13 september in deze krant betoogde. Het sluit ook een laatste sluipweg af om een volwaardige opleiding filosofie te combineren met een vakstudie: het stapelen van een wijsgerig doctoraal aan een universiteit op een HBO-opleiding. Het behalen van twee doctoraal examens, waarvan één in de wijsbegeerte en één in een vakstudie, was eerder al onmogelijk geworden voor anderen dan zeer begaafde studenten.

Is dit alles erg? Ik denk het wel, en dit is mijn tweede conclusie. De studie in de wijsbegeerte is de enige academische studie waarin gepoogd wordt studenten behalve wetenschappelijke vorming ook een intellectueel overzicht te bieden van de verwarrende veelheid van wetenschappen en andere sectoren van de cultuur, met name kunst, religie, ethiek en politiek. Op deze wijze streeft de filosoof nog steeds naar universaliteit. Hij is een interdisciplinair denker, een onmisbare zeldzaamheid in een cultuur van specialismen. Zoals uit de boven gegeven voorbeelden van wijsgerige vragen blijkt, is de wijsbegeerte niet alleen van wetenschappelijk belang. Elk ontwikkeld mens zal zichzelf wijsgerige vragen stellen. De universiteiten hebben de taak studenten desgewenst te leren hoe ze kritisch met deze vragen om kunnen gaan. Evenwel, zonder de basis van een vakwetenschappelijke studie hangen de meeste filosofische vragen in de lucht. Was Connie Palmen misschien minder pessimistisch over de waarheid geworden indien ze naast filosofie een vakwetenschap had bestudeerd?

    • H. Philipse