Opinie

    • Youp van ’t Hek

Bankjes

Michel Demaret is burgemeester van Brussel en wilde vorige week het keurige hotel Metropole binnengaan. Wat zag hij? Straalbezopen clochards die voor het hotel op een bankje hun eeuwige roes lagen uit te slapen.

Weg ermee, dacht hij en gaf het gemeentepersoneel opdracht om de helft van het aantal banken dat de Brusselse binnenstad rijk is, weg te halen. Het is ook irritant. Zelf woon ik in een aardig grachtenpandje in de Amsterdamse binnenstad en bij mij in de buurt zwerven ook nogal wat daklozen en wij bellen ook regelmatig de politie met de vraag of er niet wat aan gedaan kan worden. Dat zit maar op je stoep, dat plast maar tegen auto's, dat krabt maar in het kruis en lalt de kinderen wakker, terwijl wij, hardwerkende burgers, krom liggen voor de hypotheek, gas, water en licht. Deze types flierefluiten er maar op los alsof het allemaal niks kost. Ook bij de zandbak in de schaduw van de Amstelkerk zit regelmatig een zatlap te zingen. Drie uur 's nachts. “En we gaan nog niet naar huis”, zingt hij ook nog. Dat is helemaal een gotspe. Dakloos en dan ook nog dat deuntje lallen. Weg dat bankje, denk ik dan. Ik wil slapen. Ik wil een stad zonder zwervers, zonder zatlappen, zonder prettig gestoorden, zonder de man met de halve arm waar hij op miraculeuze wijze een halve liter bier op in balans houdt, zonder de oude bokser met de platte neus die altijd “vechten?” roept als je hem passeert. Ik wil een stad vol hardwerkende types, waarvan ik weet wat ze doen, en wens niet in de war gebracht te worden door hun roes uitronkende drankorgels. Ik wil netheid en gezag. Een 8 voor vlijt en een 9 voor gedrag. Opeens heb ik de stomme film klaar: Michel Demaret is burgemeester van Brussel, stapt het superchique Metropole binnen, stoort zich aan de zwervers en stelt zijn vrouw en vrienden voor om de bankjes te verwijderen. Zijn vrouw kotst hem ter plekke uit, zijn matresse weigert ooit nog met hem te neuken, zijn kinderen nemen een andere achternaam, zijn vrienden schamen zich ooit zijn vrienden te zijn geweest, zijn oude moeder wijst hem voor altijd de deur en iedereen weigert ooit nog een lettergreep met hem te wisselen. De man vereenzaamt, gaat drinken, vervuilt, drinkt door, krijgt aangekoekte kots op zijn revers, houdt zijn gulp open, drinkt door, zwelt op, verliest zijn sokken, later zijn schoenen en eindigt met een fles Pisang Ambon die hij onmachtig over zijn schouder giet in de hal van het Centraal Station. Volledig ladderzat zoekt-ie een bankje om te slapen en telkens als hij de hoek om komt ziet hij hoe een stelletje overheidsdienaren een bankje wegschroeft. Wanhopig gaat hij een discussie aan, maar de mannen zeggen te handelen in opdracht van de burgemeester. In de film moet de man sterven op de trappen van de Beurs, de ratten knagen hem kaal terwijl hij nog leeft en niemand reageert. Alle fatsoensrakkers zijn onderweg naar hun werk en hebben geen tijd om op de schreeuwende burgemeester te reageren. Ze lopen te bellen met hun effectenmakelaar. Oh zwervers aller landen, verenig u en leg u te slapen in de schaduw van het Amstelhotel, leg u op de achterbank van alle limousines en zeik tegen alles wat autoriteit is en uw laatste vierkante meter slaapplaats wil slopen. Soms schaam ik me zo en vraag ik me oprecht af waarom niet af en toe hele recepties vol kleinburgerlijke burgemeestertjes stikken in hun toostjes kaviaar. God is rechts. Ik wil niet naar de hemel.

    • Youp van ’t Hek