Aziatisch mirakel?

Sommigen kijken er vol bewondering naar, anderen vooral met angst. Al dertig jaar lang heeft Oost-Azië de snelst groeiende economie in de wereld. De grootste groeiers zijn de vier "tijgers', Zuid-Korea, Taiwan, Hong Kong en Singapore, daarnaast Japan, en meer recentelijk ook Thailand, Maleisië en Indonesië. Sinds 1960 zijn deze landen twee keer zo snel gegroeid als de rest van Oost-Azië, drie keer zo snel als Latijns Amerika en Zuid-Azië en vijf keer zo snel als Afrika ten zuiden van de Sahara.

Nog een opmerkelijk feit: de genoemde acht landen zijn de enige waar een snelle economische groei gepaard ging met een vermindering van de kloof tussen arm en rijk.

Is er sprake van een Aziatisch mirakel of zelfs van een "geel gevaar'? Economen van de Wereldbank hebben vier jaar lang onderzoek naar het groeifenomeen gedaan. Vorige week verscheen onder de titel The East Asian Miracle, economic growth and public policy hun lijvige rapport. Een eerste geruststelling al vast, het Aziatische groeiproces blijkt niet wezenlijk te verschillen van dat in andere regio's.

Uit het rapport blijkt echter dat de investeringen als percentage van het bruto nationaal produkt in de acht landen 7 tot 10 procent per jaar hoger liggen dan in andere ontwikkelingslanden. En ook de onderwijsparticipatie is hoger dan op grond van het inkomensniveau en andere factoren mag worden verwacht. Deze bovengemiddelde accumulatie van fysiek en menselijk kapitaal verklaart volgens de onderzoekers al 60 tot 100 procent van de snelle groei in Oost-Azië. “De mensen in deze landen hebben simpelweg harder gestudeerd, harder gewerkt en meer gespaard dan de mensen elders in de wereld”, aldus het hoofd van het onderzoeksteam, John Page.

Een belangrijke factor in Oost-Azië is volgens de onderzoekers ook de bovengemiddelde groei van de produktiviteit. De Oostaziatische landen zijn er veel beter in geslaagd hun hulpbronnen in te zetten voor hoog renderende activiteiten.

Welke rol heeft nu het overheidsbeleid in dit alles gespeeld? Volgens Page hebben de Oostaziatische landen zich geconcentreerd op de fundamentals. Het gaat hierbij om een macro-economisch beleid dat volledig is gericht op stabiliteit. Verder: investeringen in mensen; een landbouwbeleid waarbij de agrarische sector niet te zwaar wordt belast; een goed functionerend financieel systeem om investeringen en besparingen te bevorderen; het beperken van de protectie zodat binnenlandse prijzen dicht bij het concurrerende internationale prijsniveau ligt; het openstellen van de economie voor buitenlandse technologieën.

Een rechtvaardige verdeling van de groeiende welvaart is volgens de onderzoekers wezenlijk voor het bereiken van politieke stabiliteit, die op haar beurt noodzakelijk is voor een snelle groei. De eerlijke welvaartsverdeling in Oost-Azië is vooral bereikt door investeringen in de educatieve sector, met name in het lager en middelbaar onderwijs. Een simpel cijfer: in Bolivia krijgt het lager onderwijs 41 procent van het onderwijsbudget, in Indonesië is dat 90 procent. Dit heeft in belangrijke mate bijgedragen aan een grotere gelijkheid tussen burgers. Landhervormingen, steun voor het midden- en kleinbedrijf en woningbouwsubsidies droegen in Oost-Azië verder bij aan de sociale gelijkheid. Tegelijkertijd onderhield de overheid steeds goed contact met de economische elites om van hun medewerking verzekerd te zijn.

Tot zover is het allemaal nog tamelijk orthodox. Maar het beleid van de Oostaziatische overheden was toch altijd zwaar interventionistisch? Is er toch geen geheim economisch elixer?

In het Wereldbankrapport gaat de aandacht uit naar drie soorten van "selectieve interventies'. De onderzoekers stellen vast dat industriebeleid grotendeels een mislukking is geweest. In de financiële sector is men er soms wel en soms niet in geslaagd door bepaalde maatregelen besparen en investeringen op te voeren. Een "selectieve interventie' die er volgens de onderzoekers positief uitspringt is de exportbevordering. Al zijn er natuurlijk wel verschillen; zo heeft de overheid in Hongkong zich nauwelijks met de economie bemoeid. De exportbevordering is volgens Page een “belangrijk element” in het Oostaziatische succesverhaal. Door de noodzaak op de wereldmarkt te concurreren werden moderne technologieën sneller geabsorbeerd, wat de produktiviteit weer verder opjoeg.

Toch moeten andere landen, die met jaloezie naar de Oostaziaten kijken, zich volgens de onderzoekers in de eerste plaats richten op de fundamentals in het economisch beleid. De wereld ziet er anders uit dan dertig jaar geleden. Door de liberalisering van internationale kapitaalmarkten zullen financiële interventies nu veel minder effect hebben dan voorheen. Page heeft nog een waarschuwing: “Overheidsinterventies zijn het riskantst in landen waar de ambtelijke diensten en instituties zwak zijn, omdat gevestigde belangen het beleid op eigen voordeel zullen afstemmen.” Wonderen bestaan niet, ook niet in Azië.

    • Hans Buddingh'