We zijn alleen en we gaan kapot; Tom Lanoye en de rock 'n' roll van het theater

Tom Lanoye: De schoonheid van een total loss. Toneel. Uitg. Prometheus, 197 blz. Prijs ƒ 39,90.

Hard-boiled, op zijn Amerikaans dus, is de eerste associatie die zich opdringt bij het toneelwerk van de Vlaamse schrijver Tom Lanoye. De stukken spelen zich onveranderlijk af in een decor van autowrakken, koelkasten, cafés met kale verlichting, houten tafels. Het is, ogenschijnlijk, de weergave van het Vlaamse leven met uitzicht op een duivenkot. Korte, zakelijke regieaanwijzingen zijn hem voldoende. Over zijn personages zegt hij: "ze kussen en zuipen', waarmee hun karakter, lotsbestemming en dierbare tijdsbesteding meteen is gegeven. Soms luisteren ze op het strand naar "de rock 'n' roll van de golven', en dan zijn ze vertederd en denken ze aan "liefdes te groot voor woorden.'

Drie toneelstukken van hem zijn onlangs gebundeld onder de titel De schoonheid van een total loss. Het zijn het bij Toneelgroep Amsterdam opgevoerde "Bij Jules en Alice', het stuk "Blankenberge' over de gelijknamige Vlaamse kustplaats en "Celibaat' naar de roman van Gerard Walschap. Onbelangrijk te zeggen waarover de stukken gaan, want ergens over gaan in de traditionele dramaturgie doen ze niet, met uitzondering dan van Walschaps/Lanoyes "Celibaat'.

Neem "Blankenberge', dat niet alleen naar een strandplaats verwijst, maar ook naar een brasserie. Daar komen mensen zoals ze in elk café komen. Een vaste klant, de madame achter de tap, het serveerstertje, de plaatselijke agent en vervolgens wat zich zo in de avond en nacht aandient aan nachtvlinders, dolende jongemannen, lieden op zoek naar beschutting onder het lage plafond en de troost van het glas. De plaats van handeling is snel gegeven: een keuken, een café, drie slaapkamertjes. En voorts het strand en een duinpan, waar de liefde wordt bedreven. Met als gevolg zandkorrels overal op het lichaam.

De gesprekken tussen de acht personages gaan als een golfslag heen en weer, het zijn allemaal woorden en nog eens woorden om de grote stilte of het lege niets te lijf te gaan. Lanoye heeft een scherp oor voor het geroezemoes dat in een dergelijke gelegenheid opklinkt, altijd een mengeling van levenswijsheid en sentimentaliteit. Er zijn de gore grappen en de poëtische uitweidingen; de spotzucht en agressie. De mensen staan met de rug tegen de muur, want van heel Blankenberge wordt het volgende seizoen één grote dancing gemaakt. Dit is het laatste seizoen, nazomer, de tijd gaat voorbij. In dit besef schuilt het drama van het toneelstuk, meer nog dan in de ontwikkeling van de karakters.

Hier en daar, terecht uiterst karig, gunt de schrijver ons een blik in de ziel van zijn personages. Eén van hen zegt bijvoorbeeld: “Films en boeken, dat is iets voor lafaards, die de waarheid niet onder ogen durven zien. Die liever kijken naar iets dat niet bestaat dan te kijken naar wat in hun handen ligt. Ik kijk wel naar wat in mijn handen ligt (-) Ik pers eruit wat eruit te persen valt, ik leef ermee op het scherp van de snee. Maar ik zit niet, gelijk een konijn voor een lichtbak, in een donker zaaltje te kijken naar een hoop onnozelaars met een pruik op hun kop.” De ander werpt tegen: “Als uw leven u zo bevalt, waar klaagt ge dan over?” En dan de eerste weer: “Over mensen gelijk gij. Die niet leven om het leven dat ze hebben, maar die het altijd ergens anders gaan zoeken.”

Glimp

Ik houd ervan als een toneelauteur zo, achteloos en en passant, de drijfveren van zowel zijn toneelwerk als zijn personages weergeeft. Want dat verlangen naar het leven elders, naar daar waar het beter is dan hier, dat is, om in Lanoyes eigen beeldspraak te blijven, de rock 'n' roll van het theater. Al pratend en kletsend, zich in een verbale strijd werpend, banen de madame, de agent, de vreemdeling en het niet meer zo jonge dienstertje zich een weg naar die mooiere, betere wereld die eeuwig wijkt en die niemand ooit zal vinden. In het café hopen ze er in elk geval een glimp van op te vangen, het hart boordevol melancholie en rock 'n' roll.

Zwartgerokt

"Celibaat' is moeilijk in het werk van Lanoye onder te brengen. De roman, jaren geleden gelezen, herinner ik me als een afrekening met het Vlaamse katholicisme. Dat keert terug in het stuk, waarvan ik de voorstelling overigens niet heb gezien. Probleem is dat de wat gezwollen taal van de zwartgerokte geestelijkheid te zwaar doorklinkt in het stuk. Maar goed: spel kan alles in ironisch perspectief plaatsen.

Niet de frigo is, als in "Blankenberge', het zwijgende hoofdpersonage in "Bij Jules en Alice', maar het autowrak. Als motto geeft Lanoye aan zijn werk mee: "We zijn alleen en we gaan kapot'. Doeltreffender illustratie van dit inzicht dan "Bij Jules en Alice' bestaat nauwelijks. De hoofdpersoon sleept autowrakken van de rijbaan, een werk dat hij uiteindelijk met de dood moet bekopen. Dood: daar begint en eindigt dit cyclisch opgebouwde stuk mee. Zijn hoogste extase vindt hij bij het zien van een aan flarden gereden wagen, de schoonheid van een total loss uit de titel. Hij fabuleert. Zo zouden mensen de autotelefoon aanschaffen om hem, al over de kop slaand en tegen de vangrail vliegend, alvast te kunnen bellen. Want hij is de dichter onder de sleepdiensten; de vangrail is zijn Lorelei.

De wereld om naar te verlangen is hier die van het dodenrijk. Niet de betere wereld als in "Blankenberge', wel het lokkende perspectief van een uiteengereten lichaam.

De virtuositeit waarmee Lanoye zijn dialogen schrijft, de soepele stijl van zwarte humor, maakt dat al zijn personages, de een na de ander een total loss, tot oprechte, kleine vechtertjes worden voor hun eigen leven. Ze hebben een wil tot behoud. Dat maakt hen herkenbaar, levensecht. Zelfs op het papier spartelen ze van energie, hoe erg de een de ander ook tart. De mensen kunnen hen niet slecht genoeg zijn. Vertederend hard-boiled.

    • Kester Freriks