Waar zijn de barricaden? Don Duyns over een twintiger

Don Duyns: Een gelukkige jeugd. Uitg. Thomas Rap, 118 blz. Prijs ƒ 24,50.

Als het over zijn toneelwerk ging, heette Don Duyns tot dusver in de kritieken afwisselend een bekwaam beschrijver van de hedendaagse zeden en een getalenteerd auteur van dialogen, maar soms ook een beetje stuurloos en fragmentarisch en een nogal bleke kopie van alles wat al door duizend andere schrijvers over de onherbergzaamheid van de grote stad is geschreven. Nee, erg uitgesproken is het oordeel van de beoordelaren nog niet geweest. Het zou met die Duyns wel eens wat kunnen worden, klonk erin door, maar helemaal volgroeid is het nog niet.

Na een stuk of acht toneelteksten, vaak in zijn eigen regie uitgevoerd, heeft Duyns nu ook een kleine roman geschreven. De hoofdpersoon is een naar misantropie neigende letterenstudent die in Amsterdam een flatje betrekt in een voornamelijk door bejaarden bewoond huizenblok - een deprimerende omgeving die zijn leven uitzicht- en zinloos lijkt te maken. Nog even zoekt hij zijn heil bij twee schrijvers die hij bewondert. De één, die verkondigt dat alleen in de literatuur het echte leven te vinden is, ontpopt zich bij nader inzien echter tot een zelfingenomen prol. En tot de tweede, een dichter die in 1974 in datzelfde huizenblok zelfmoord heeft gepleegd, kan hij niet doordringen, al was het maar omdat hem de toegang tot het bewuste flatje wordt geweigerd.

Tussenbeide begint onze student terug te denken aan zijn Haarlemse jeugd die weliswaar vol beproevingen was (het doodmaken van een kikker, de zwemlessen, de tandarts, touwklimmen), maar hem gaandeweg steeds aantrekkelijker voorkomt: er groeit een heftig verlangen naar de kinderjaren, toen je er nog onbekommerd naar verlangde om ouder te zijn. In korte hoofdstukken springt Duyns heen en weer tussen heden en verleden, tot opeens die paradox opdoemt en er over de hoofdpersoon toch nog een passief soort vrede neerdaalt.

Palestina-sjaals

Maar voordat de lezer zich zou gaan storen aan zoveel passiviteit, springt de schrijver voor deze twintiger op de bres. Zelf is hij immers óók een eindweegs in de twintig en we moeten begrijpen dat dat in de tegenwoordige tijd heus niet zo'n aardige leeftijd is: “Is het soms dankbaar om jong te zijn in een tijd waarin alle illusies als loos en naïef zijn doorgeprikt? Waarin het verlangen naar verandering heeft plaatsgemaakt voor de zucht naar efficiency. Waarin mannen met grijze baarden en palestina-sjaals bepalen wat nieuw en revolutionair is, terwijl ze zelf al decennia geleden zijn ingedommeld. En waar zijn die barricaden dan? Waar moeten we tegen te hoop lopen? Waar in geloven? Wie of wat is de vijand en waar houdt hij zich op?” Het is een onverwacht heftige oprisping in dit verder zo geserreerd geschreven boekje - waard om nader te worden uitgewerkt. Maar dat komt er niet van. Sterker nog: de gedachten van de hoofdpersoon zijn niet wezenlijk anders dan wat al in de jaren vijftig door literaire angry young men werd opgeschreven.

Ook elders stipt Duyns af en toe iets intrigerends aan zonder er dieper op in te gaan. In de dichter, die in dit huis gek genoeg werd om van het balkon te springen, is immers met gemak Jan Arends te herkennen - en in sommige passages van Duyns' proza trouwens óók. Even bekruipt de student de angst dat hij hier net zo gek als Arends zal worden, maar voordat die parallel echt tot wasdom komt, is het alweer afgelopen.

Het is, kortom, met Een gelukkige jeugd net als bij zijn toneelwerk: veelbelovende aanzetten te over, talent onmiskenbaar en tenslotte toch een niet erg uitgesproken beoordeling.

    • Henk van Gelder