Verkeerde meerderheid voor referendum

DEN HAAG, 8 OKT. Opnieuw een discussie over het referendum. Een meerderheid van de commissie-De Koning die op verzoek van de Tweede Kamer een onderzoek heeft ingesteld naar vernieuwing van het kiesstelsel vindt het referendum een goed instrument om de invloed van kiezers op het beleid te vergroten. In het gisteren verschenen rapport zeggen vier van de zes leden van de commissie dat de uit 1985 daterende aanbevelingen van de commissie-Biesheuvel een goede basis vormen voor het invoeren van het referendum. Waarmee de draad uit 1989 wordt opgepakt, toen een meerderheid van de Tweede Kamer zich uitsprak tegen het referendum.

Wie het referendum nu wederom, zoals dat tegenwoordig heet "op de politieke agenda plaatst' moet òf nieuwe argumenten hebben, òf optimistich zijn gestemd over de veranderingsgezindheid van politici. Nieuwe argumenten zijn er niet. Andere omstandigheden zijn er wel, zo meent de meerderheid van de commissie-De Koning. Volgens hen is er een “levendige behoefte bij de burgers om zich rechtstreeks over concrete maatschappelijke vraagstukken te kunnen uiten”. Een tendens, zo menen zij, die sterker is dan vier jaar geleden toen de voorstellen van Biesheuvel werden afgeschoten. Iets waarvan de voorzitter van de commissie, de CDA-politicus J. de Koning en de VVD'er J.M. Polak, die samen een minderheidsstandpunt hebben ingenomen, nu juist niet zijn overtuigd.

In feite speelt deze afweging constant een rol in het debat over staatsrechtelijke en bestuurijke vernieuwing dat sinds 1990 wordt gevoerd onder leiding van de speciale commissie van Kamervoorzitter Deetman. Alles wat de afgelopen jaren in dit kader werd geopperd of voorgesteld, is al eens aan de orde geweest. Het districtenstelsel, de gekozen minister-president, de bevoegdheden van de premier, de gekozen burgemeester, de positie van de adviesorganen, de reorganisatie van de rijksdienst, het zijn stuk voor stuk onderwerpen met een hoge déjà-vu waarde. Niet voor niets stelde de commissie-Deetman in haar eerste rapport dat wat politiek in het verleden onmogelijk is gebleken in een andere maatschappelijke en bestuurlijke context wellicht wel mogelijk is.

Maar zoals nu uit het verdeelde rapport over het referendum blijkt is de beoordeling van de maatschappelijke en bestuurlijke context subjectief bepaald. Het ene deel meent dat deze is veranderd waarmee een hernieuwd debat over het referendum wordt gerechtvaardigd, het andere deel vindt juist van niet. Als het gaat om het denken in de politiek over het referendum lijken de voorstanders het gelijk aan hun zijde te hebben. In het ontwerp-verkiezingsprogramma van de VVD staat nu voor het eerst dat er een correctief referendum moet komen. Overigens is het nog maar de vraag of dit punt ook het definitieve programma zal halen want de meningen binnen de VVD over dit punt zijn sterk verdeeld.

Maar ook in het CDA borrelt het. De officiële partijlijn behelst een afwijzing van het referendum, maar niet onbelangrijke juristen in de partij zoals de huidige minister van justitie Hirsch Ballin en hoogleraar Franken zijn voor. Het was ook CDA-fractievoorzitter Brinkman die vorig jaar de opening maakte voor een nieuw debat over het referendum. Aanvankelijk had de Tweede Kamer besloten bij het onderzoek naar staatsrechtelijke vernieuwing het onderwerp referendum te laten rusten, omdat hier nu wel alles over was gezegd. Tijdens de algemene beschouwingen in de Tweede Kamer van een jaar geleden zei Brinkman echter zich niet langer te verzetten tegen een hernieuwde studie. Van bekering was nog geen sprake want een dag eerder had dezelfde Brinkman tijdens een toespraak in Rotterdam nog gezegd dat een “ongedifferentieerde volksraadpleging over van alles en nog wat zal de versluiering van bestuurlijke moed en politieke verantwoordelijkheid betekent”.

Van doorslaggevend belang is of het CDA het referendum volgens het model Biesheuvel beschouwd als een ongedifferentieerde volksraadpleging. Het kenmerk van Biesheuvels voorstel is namelijk dat het de nodige "veiligheidskleppen' kent. Zo kunnen alleen referenda worden gehouden over voorstellen die door beide Kamers der Staten Generaal zijn aanvaard. Dit voorkomt dat elk modieus onderwerp aan een volksraadpleging kan worden onderworpen. Bovendien zijn hoge eisen aan de opkomst gesteld. Een wetsvoorstel kan pas door middel van een referendum worden verworpen als de meerderheid die zich daarvoor uitspreekt uit ten minste 30 procent van het aantal kiesgerechtigden bestaat. Dat betekent dat onder de huidige omstandigheden in elk geval 3,5 miljoen mensen zich tegen een aanvaard wetsvoorstel moeten keren. Voorts kan een referendum pas worden gehouden als binnen drie weken nadat een wetsvoorstel beide Kamers is gepasseerd 20.000 mensen daarom hebben gevraagd. Vervolgens moeten binnen zes weken 300.000 kiezers door middel van een handtekening laten weten het referendum te ondersteunen.

Dat een meerderheid van de commissie-De Koning voor het referendum is, zegt niets over de haalbaarheid als de minderheid bestaat uit mensen met een CDA- en VVD-achtergrond. Als die twee partijen tegen blijven, is het voorstel onhaalbaar. Want voor invoering van een referendum is een wijziging van de grondwet noodzakelijk. Dit betekent dat er uiteindelijk een meerderheid van twee derden moet zijn. Zonder CDA of VVD is een dergelijke meerderheid onmogelijk. Anders gezegd: er mag dan nu wel een meerderheid voor het referendum zijn, het is vooralsnog de verkeerde meerderheid.

De zonen zetten het werk van hun vaders voort. Het 36 jaar oude imperium van misdaad en terreur dat onder Papa Doc is begonnen, moet zo tot in de lengte van dagen worden gerekt. Inmiddels zijn met de komst van de lucratieve cocaïne de belangen veel groter geworden. Er valt veel te verliezen voor deze kleine, oppermachtige criminele elite als Haïti inderdaad terugkeert naar de democratie en president Jean-Bertrand Aristide de macht terugkrijgt. Maar de neo-Duvalieristen hebben meer te vrezen dan het verlies van hun macht en rijkdom.