"Thermometer' in het natuurplan

De uitvoering van het Natuurbeleidsplan uit 1990 stagneert op onderdelen. Staatssecretaris Gabor, verantwoordelijk voor de natuur, raadpleegt 112 Nederlanders van buiten het departement om de vaart erin te brengen. De consultatie moet eind dit jaar een actieplan opleveren.

UTRECHT, 8 OKT. De aanwezigen in de Spiegelzaal van het provinciehuis te Utrecht vormen een gemengd gezelschap, maar allemaal hebben ze rechtstreeks of zijdelings met de natuur te maken. Er zijn gedeputeerden, burgemeesters en wethouders bij, wetenschappelijke onderzoekers, afgevaardigden van de natuurbescherming, ambtenaren, handhavers van de wet, boeren en landgoedeigenaren. “Sleutelfiguren” noemt staatssecretaris Gabor (landbouw, natuurbeheer en visserij) de circa honderd mannen en een enkele vrouw. Ze moeten helpen het in 1990 vastgestelde Natuurbeleidsplan (NBP) van de regering nieuw leven in te blazen.

Op sommige punten ligt de uitvoering van dat plan op schema, maar vaker treden stagnaties op, waar de natuur onder te lijden heeft. Een onderdeel dat achterloopt, is de bescherming van inheemse diersoorten die speciale aandacht verdienen. Tot nu - na ruim drie jaar - is het bij slechts twee vogelsoorten, de patrijs en het korhoen, gebleven, al zijn er plannen voor kraanvogel, kerkuil en lepelaar in de maak.

Een ernstige tegenvaller is verder dat zowel de staat als particuliere organisaties, bijvoorbeeld de Vereniging Natuurmonumenten, nauwelijks meer toekomen aan verwerving van landbouwgrond om er natuurgebied van te maken. Geldgebrek is daarvan de oorzaak; de subsidiepot van het departement is voortijdig uitgeput en dat klemt temeer omdat juist nu het aanbod van agrarisch terrein een stijging laat zien als gevolg van bedrijfsbeëindigingen.

Daar komt bij dat lagere overheden, provincies en gemeenten, de draad van het Natuurbeleidsplan, waarvan de uitvoering deels op hun schouders rust, onvoldoende hebben opgepakt. Men ziet nog vrijwel niets van de "Haagse' ideeën gestalte krijgen in bijvoorbeeld gemeentelijke bestemmingsplannen. Maar of dat aan die gemeenten ligt? “Misschien”, oppert J. Bakker, hoofd van de sector natuur op het minsterie, “zijn we niet helder genoeg geweest over onze doelstellingen, waardoor we meer weerstanden hebben opgeroepen dan nodig.”

In elk geval waren de tekortkomingen en negatieve ervaringen voor het departement aanleiding “de thermometer in het natuurbeleid te steken”. De woorden zijn van A. Bosch, leider van de projectgroep "Natuurbeleid in de peiling', die op 1 juni werd opgericht om de problemen bij de uitvoering van het NBP te inventariseren en oplossingen aan te dragen. Daarbij is voor een tamelijk onorthodoxe vorm van consultatie gekozen. In totaal zijn 112 Nederlanders uit diverse geledingen, maar nadrukkelijk niet van het departement, uitgekozen om informatie te verschaffen en hun mening over het heersende natuurbeleid te geven.

Aanvankelijk waren vijftig min of meer prominente figuren uit de sector natuur en landschap geselecteerd. Op uitnodiging van Gabor verschenen ze eind juni op een zitting in kasteel Groeneveld in Baarn ter beantwoording van een serie vragen, zoals deze: wat is er loos met het natuurbeleid, wat zijn de oorzaken van de knelpunten, wat zouden we moeten bereiken en waarom? Later trok de projectgroep het land in om nog eens 62 mensen dezelfde vragen voor te leggen.

Uit de antwoorden hebben Bosch en zijn teamgenoten inmiddels één overheersende opinie gedistilleerd, die als diepste oorzaak van de gesignaleerde problemen wordt bestempeld: “Het overgrote deel van de bevolking heeft geen flauw benul van de waarde van de natuur voor het voortbestaan van de samenleving.” Dit ondanks de reusachtige aanhang waarop sommige particuliere natuurbeschermingsorganisaties kunnen bogen. Alleen Natuurmonumenten heeft al meer dan 700.000 leden. Van hen zou echter maar een kwart tot de echte natuurliefhebbers behoren; de meesten zouden het lidmaatschap als een soort aflaat voor milieuzonden beschouwen.

Het veronderstelde gebrek aan benul over de waarde van de natuur leidt weer tot een volgende conclusie: “Daarom weegt dit onderwerp maatschappelijk niet zwaar genoeg met als gevolg dat er op politieke niveaus onvoldoende draagkracht voor de natuur bestaat en onvoldoende bereidheid om er geld voor beschikbaar te stellen.”

De bijeenkomst in het Utrechtse provinciehuis is een vervolg op die van juni in Baarn. De uitslagen van de eerste ronde (112 meningen) zijn vervat in teksten die breeduit aan de wanden van de Spiegelzaal zijn opgehangen. Ieder kan daar, door middel van kleine velletjes met plakstrip, zijn reactie aan toevoegen en ook verder is er ruimschoots gelegenheid voor schriftelijk dan wel mondeling commentaar.

Zo moet zich, in de termen van ambtelijk Den Haag, “de vertaalslag van analyse naar oplossing” voltrekken. Anders gezegd: er moet een actieplan uit voortkomen om het NBP in een hogere versnelling te zetten teneinde plant en dier alsook hun leefgebieden niet (verder) te laten verkommeren. “En dat actieplan komt er, dat is evident”, vat Gabor het algemene streven samen.