Suja, suja, hakkepuk; Twee eeuwen baker-, peuter-, kleuter- en kinderrijmen

Tine van Buul en Bianca Stigter (Samenst.): Ik geef je niet voor een kaperschip Met tweehonderd witte zeilen. Uitg. Querido. 214 blz. Prijs ƒ 39,90.

Heia popeia. Ibis kwibis kwee. Ribbelde rabbelde ruis. Lirum, larum, lepelsteel. Pap, pap, slabberdepap. Oppelepop is 't papje. Geen vreemder Nederlands dan het Nederlands waarmee onze peuters en kleuters opgroeien. Raar eigenlijk dat wie de taal nog moet leren nu juist overspoeld wordt door zoveel onzin. Ei koerei. Frim-Fram-Frommelen. Flipflap, hiphap. Suja, suja, hakkepuk. En uit wier monden komen al deze wijsheden? Uit die van Biba, Biba de Binka en Sina Snikna Knikker de Knikna bijvoorbeeld. En uit die van Kareltje Koppeteen, Mereltje Maliebaan en Maantje Manillablad, goede vrienden van Sikje Smikkel, Pietertje Pluim, juffrouw Jeuken en pater Zwierelier.

Ze zijn allemaal te vinden in Ik geef je niet voor een kaperschip Met tweehonderd witte zeilen, een eigenzinnige bloemlezing van 333 gedichten uit twee eeuwen baker-, peuter-, kleuter- en kinderrijmen, samengesteld door Tine van Buul en Bianca Stigter. Dit schip vol verzen is volgens de ondertitel bestemd ”voor heel jong en ouder'. In die formulering mag ouder ook als een zelfstandig naamwoord worden opgevat. Want dit is, zo zeggen Van Buul en Stigter in hun verantwoording, ”vooral een boek om uit voor te lezen'. Over de eisen waaraan de voorlezers moeten voldoen laten zij zich verder niet uit. Ik stel me zo voor dat sommige beginnende ouders toch wel even zullen slikken bij het zien van afdelingstitels als ”Hoofdje op het kussen', ”Handjes thuis', ”Mondje open', ”Hartje van goud', ”Voetjes buiten', ”Neusje in de wind', ”Gatje in het gras' en ”Oogjes dicht' - om ze alle achtjes dan ook maar meteentjes te noementjes. En heel wat opvoeders zullen eerst een cursus hurkzitten en piepstemmen moeten volgen voordat ze verzen als de volgende uit hun strot krijgen: ”In een alleraardigst huisje / met een alleraardigst tuintje, / vol met allerliefste bloempjes, / woonde een alleraardigst vrouwtje.' En zo gaat dat nog dertien regels door.

Maar gelukkig bevat deze bloemlezing niet louter verkleinwoordjesversjes. Het aardige is dat Van Buul en Stigter niet alleen hebben geput uit de bekende, meestal anonieme, in het collectieve geheugen opgeslagen kleuterpoëzie, zoals die meer dan een eeuw geleden al werd verzameld door J. van Vloten in zijn drie delen Nederlandsche baker- en kinderrijmen. Daarnaast raadpleegden zij ook de grote verzameling van het P.J. Meertens-instituut. Uit de daar aanwezige schat aan varianten kozen zij meestal de wat gewaagdere. Aan de oude kern voegden zij bovendien erg veel recente jeugdpoëzie toe. De verrassing van hun bloemlezing ligt vooral in de compositie: in de aanstekelijke afwisseling van genres en in de onbevangen vermenging van bekend en onbekend. Daardoor blijkt het oude soms nog verrassend modern te zijn en het moderne soms opeens verrassend klassiek. In de afdeling kerstverzen vinden we naast het devote ”Er is een kindeke geboren op aard / 't Kwam op de aarde voor ons allegaar' deze aardse pendant:

Kerstavondje, kerstavondje

Mijn moeder kookt karnemelkse brij

Mijn vader slacht een haring

De kop die is voor mij.

Op het stichtelijke slot van ”Mietje en het mes' (van ene J. Norweb):

Dus kindertjes onthoud de les:

Blijf met je handjes van het mes.

volgt meteen dit kordate messenvers:

Af-daf-

Snij mijn moeders neusje af;

Laat er nog een eindje an,

Dat mijn moeder snuiven kan.

Dit kaperschipboek is als een zee om als een kaper op rond te zwerven; schepen genoeg om te enteren, havens genoeg om in aan te leggen. Er zijn opsommingsverzen en aftelrijmpjes, vraag- en antwoordspelletjes en raadselrijmen, tongbrekers en meezingers, opvoedkundige adviezen en onzinverzen, lange verhalende gedichten en beknopte wijsheden (”Tussen lepel en mond/ Valt veel pap op de grond'), slaapliedjes en anti-slaaplied-liedjes: ”Mammie, laat me slapen/ en zing niet steeds dat lied./ De meeste moeders zingen mooi/ maar mammie, mammie niet.”

Annie M.G. Schmidt is hier met de meeste gedichten vertegenwoordigd, op eerbiedige afstand gevolgd door Ienne Biemans, Han G. Hoekstra, S. Abramsz, Karel Eykman, Diet Huber en Willem Wilmink. Uit dit lijstje valt al af te leiden dat het accent op de moderne kleuterlyriek ligt. Ook heel wat zogenaamde volwassenendichters zijn hier aanwezig, met enkele van hun meest onbevangen verzen, zoals Buddingh', Hanlo, Kemp, Hendrik de Vries, Vroman en K. Schippers. De laatste leverde de titel: twee regels uit een mooi, vreemd, nog helemaal niet zo helder zeeroversgedicht - zodat de voorlezing eventueel al meteen gevolgd kan worden door een eerste close-reading les met de brabbelende peuter.

Ik geef je niet voor een kaperschip Met tweehonderd witte zeilen is een mooi, groot, dik, ruim geïllustreerd boek, met vele gebruiksmogelijkheden. Allicht zal het somigen tot zelf lezen aanzetten. Misschien zal het enkele ademloos toehorende kinderen al vroeg, zonder dat ze er erg in hebben, tot dichter slaan - en wie weet zullen ze zich dan over twintig jaar, onder duistere pseudoniemen als Ibis Kwibis Kwee dan wel Sina Snikna Knikker de Knikna, verenigen in de experimentele Heia Popeia Beweging. Maar het kaperschipboek kan ook gewoon als slaapmiddel gebruikt worden. Krijgen we ze niet door voorlezing stil, dan is het nog altijd groot en zwaar genoeg (formaat stoeptegel) om er de drenzende kleine mee in een diepe droomloze slaap te helpen. Kunnen we het daarna lekker zelf gaan lezen.

    • Guus Middag