SGP handelt niet in strijd met het strafrecht

Het besluit van de Staatkundig Gereformeerde Partij om op grond van de bijbel vrouwen als leden te weigeren, heeft in sommige kringen geleid tot een roep om strafrechtelijke vervolging wegens het aanzetten tot discriminatie. Maar zo'n onderzoek moet, volgens de Groningse jurist F. Janssens, tot een negatief resultaat leiden, gelet op de aanwezige belemmeringen in het Wetboek van Strafrecht.

Zoals wel meer bij vermeende discriminatiezaken, wordt het zicht op de beperkte mogelijkheden van het strafrecht in dit soort zaken vertroebeld door een aantal misverstanden omtrent de hier in het geding zijnde delicten. Ondanks het kennelijke optimisme van een aantal vrouwenorganisaties hierin, ben ik van mening dat, waar mogelijkerwijs de civiele rechter het besluit kan toetsen op zijn (on)rechtmatigheid, voor de strafrechter geen taak weggelegd is ter "correctie' van de SGP.

Aan de vraag naar de opportuniteit van strafvervolging van de SGP gaat die naar de juridisch-technische haalbaarheid vooraf. Het lijdt weinig twijfel dat de partij als (mogelijke) dader kan worden vervolgd. Het Wetboek van Strafrecht geeft aan dat zowel natuurlijke als rechtspersonen strafbare feiten kunnen begaan. Het behoeft weinig betoog dat het besluit van de kiesverenigingen van de SGP, rechtstreeks aan de partij zelf kan worden toegerekend. Twijfels over een succesvolle vervolging ontstaan echter op het niveau van toepassing van de relevante strafbaarstellingen. Het Wetboek van Strafrecht bevat een aantal delicten dat in deze zaak mogelijkerwijs in aanmerking kan komen. Deze bevinden zich, het zal niemand verbazen, in de sfeer van de verboden discriminatie. De belemmeringen tot een succesvolle vervolging zitten in het feit dat aan een aantal voorwaarden voor strafbaarheid wegens discriminatie niet is voldaan. Bovendien is het hoogst onzeker of er bij de SGP sprake is van het maken van ongerechtvaardigd onderscheid naar geslacht, oftewel strafbare discriminatie.

In de eerste plaats zal een vervolging van de SGP op grond van overtreding van art. 137c Sr niet slagen. Deze bepaling verbiedt, kort gezegd, de opzettelijke belediging van een groep mensen wegens ras, godsdienst of overtuiging of seksuele gerichtheid. Nog afgezien van de vraag of het besluit van de SGP valt te beschouwen als opzettelijk beledigend, is in deze bepaling niet opgenomen belediging van een groep mensen wegens hun geslacht. Bij de wetswijziging in 1991 is deze beledigingsgrond zeer bewust door de strafwetgever niet toegevoegd aan de wel genoemde gronden, zoals ras, godsdienst of seksuele gerichtheid. De regering stelde destijds dat belediging van vrouwen hun maatschappelijke positie niet zou aantasten, terwijl dit bij de andere genoemde groepen mensen wel het geval zou zijn. Bovendien was de strafwetgever zich bewust van het conflict tussen meer belangen dat door een dergelijk beledigingsverbod aan de oppervlakte zou komen. Het belang van de vrijheid van meningsuiting werd groter geacht dan dat van een groep mensen om niet beledigd te worden wegens hun geslacht.

Het besluit van de SGP kan in de tweede plaats evenmin gezien worden als overtreding van het verbod neergelegd in art. 429 quater Sr. Deze bepaling verbiedt de feitelijke discriminatie van personen in de uitoefening van een ambt, een beroep of een bedrijf wegens onder meer geslacht. Onder de werking van deze bepaling valt niet de discriminerende gedraging die louter in de privé-sfeer plaats vindt. Strafbaar is het ongerechtvaardigde onderscheid in het maatschappelijk verkeer.

Uiteraard valt niet te ontkennen dat een politieke partij in het volle maatschappelijke leven staat. Dat een politieke partij echter bezwaarlijk als een ambt, een beroep of een bedrijf kan worden gezien, behoeft evenmin weinig betoog. Het strafrechtelijk aansprakelijk stellen van een individueel bestuurslid van de SGP biedt overigens weinig soelaas: een (gekozen) bestuurslid van een politieke partij oefent in die functie een "ambt' noch een "beroep' uit.

Art. 137d Sr biedt evenmin mogelijkheden. Deze bepaling verbiedt het in het openbaar aanzetten tot haat tegen of tot discriminatie van mensen wegens onder meer geslacht. Het besluit van de SGP kan niet gekenschetst worden als een aanzetten tot. Uit literatuur en (schaarse) rechtspraak hieromtrent valt af te leiden dat hiertoe vereist is een tot haat of discriminatie opruiende of aansporende activiteit. Zo is een oproep om een bepaalde bevolkingsgroep uit het land te zetten bezwaarlijk anders te verstaan dan als een aanzetten tot discriminatie; zelfs het stellen dat een bepaalde handeling navolging verdient, is onder omstandigheden ook te beschouwen als een aanzetten tot (haat of discriminatie).

De grens tussen een strafwaardig aanzetten tot discriminatie en het verkondigen van een bepaalde opvatting is overigens subtiel. Waar de uitlating dat iemand zich kan voorstellen dat een huiseigenaar geen kamers verhuurt aan homofielen niét valt aan te merken als aanzetten tot discriminatie wegens seksuele gerichtheid, is een daaraan verwante oproep om in het algemeen geen kamers te verhuren aan homo's wellicht wél als zodanig te beschouwen. In het licht van de onderhavige zaak zou wellicht gesteld kunnen worden dat een oproep van de SGP om vrouwen in het algemeen niet tot politieke partijen toe te laten of niet aan (politiek-) bestuurlijke activiteiten te laten deelnemen, wel als aanzetten tot discriminatie wegens geslacht te bezien. Een besluit van de SGP om binnen haar geledingen vrouwen niet toe te laten draagt, wat er zij van de "innerlijke waarde' van dat besluit, niet een zodanig karakter dat hierdoor sprake is van een aanzetten tot discriminatie of zelfs haat.

De term aanzetten veronderstelt overigens ook een opzet van de dader op het bewegen van anderen tot discriminatie wegens geslacht. De rechtspraak heeft deze opzeteis zo uitgelegd dat iemand die welbewust de aanmerkelijke kans aanvaardt dat derden door zijn uitlating tot discriminatie wordt bewogen of aangespoord, opzettelijk handelt. Gelet op de context waarin het onderhavige partijbesluit is genomen, is aan deze opzeteis niet voldaan. Het slechts beseffen of vermoeden van de mogelijkheid dat daarmee aangezet zou kunnen worden tot discriminatie is hiervoor onvoldoende.

Dit brengt mij ten slotte op de vraag of er in het onderhavige besluit van de SGP aanleiding gevonden kan worden om van strafbare discriminatie te spreken. Het Wetboek van Strafrecht omschrijft discriminatie als "elke vorm van onderscheid, elke uitsluiting, beperking of voorkeur, die ten doel heeft of ten gevolge kan hebben dat de erkenning, het genot of de uitoefening op voet van gelijkheid van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden op politiek, economisch, sociaal of cultureel terrein of op andere terreinen van het maatschappelijk leven, wordt tenietgedaan of aangetast'. Uit de parlementaire behandeling van deze wet volgde dat niet elk onderscheid als strafbare discriminatie kan worden bezien.

De minister van justitie stelde onomwonden dat gedrag, dat ingevolge de (ontwerp-) Algemene Wet Gelijke Behandeling gerechtvaardigd is, geen discriminatie in de zin van het Wetboek van Strafrecht is. Overeenstemming heerst dan ook over het feit dat strafbare discriminatie is het maken van wederrechtelijk onderscheid, oftewel onderscheid zonder redelijk doel. In genoemd wetsontwerp is, zoals bekend, met name in de arbeidsrechtelijke en sociaal-economische sfeer het maken van onderscheid op grond van onder meer geslacht verboden. Uitzonderingen op dit verbod van discriminatie liggen onder meer in de vrijheid van een instelling op politieke grondslag om bepaalde eisen ten aanzien van de vervulling van een functie in die instelling te stellen die, gelet op het doel van de instelling, nodig zijn voor een vervulling van die functie. Deze eisen mogen niet leiden tot een onderscheid op grond van het enkele feit van geslacht. Indien het geslacht irrelevant is voor de vervulling van de functie, dan is het onderscheid wederrechtelijk. Deze tot veel discussie leidende omschrijving lijkt de conclusie te wettigen dat het door de SGP genomen besluit een wederrechtelijk onderscheid maakt en daarmee aanzet tot discriminatie in de zin van het Wetboek van Strafrecht.

Een "hard case' lijkt het besluit evenwel niet te zijn. Het is zeker niet onaannemelijk dat het onderhavige partijbesluit valt onder die uitzonderingsgrond van het verbod van discriminatie. Het heeft, zoals gezegd, geen karakter van een oproep om vrouwen in het algemeen uit het politieke bedrijf te weren; het heeft "slechts' betrekking op het lidmaatschap van de SGP. In deze zin verschilt het besluit weinig van dat van een schoolbestuur op religieuze grondslag om geen homofiele docenten aan te stellen. Hier wegen de vrijheden van godsdienst en onderwijs zwaarder dan het recht op geen onderscheid. Dergelijke besluiten zijn niet als ongerechtvaardigd onderscheid te kenschetsen. Bovendien is er in de eigen context van de SGP sprake van een niet irrelevant onderscheid op grond van geslacht.

In het onderhavige geval doet zich overigens de moeilijkheid voor dat het besluit zich afspeelt op het grensgebied van het maatschappelijk leven, waarbij het verbod van discriminatie pregnanter aan bod komt, en het religieuze leven. Dit besluit van de SGP is namelijk in sterke mate gegrond op een bepaalde bijbelexegese. Bij beoordeling van de vraag of een religieuze opvatting al dan niet in strijd is met algemeen aanvaarde normen, past de overheid uit de aard der zaak en gelet op de vrijheid van godsdienst een grote terughoudendheid. Een dergelijk besluit op die grondslag kan niet dan marginaal getoetst worden: heeft de instelling in redelijkheid tot dit besluit kunnen komen, gelet op haar achtergrond, de strekking van het besluit en gewogen alle andere belangen? Een instelling heeft in redelijkheid een dergelijk besluit niet kunnen nemen als zij bijvoorbeeld op bijbelse gronden deelname van vrouwen (of buitenlanders) aan het maatschappelijk leven, ook buiten de eigen partij, ontzegt.

De conclusie is dat de mogelijkheden om de SGP strafrechtelijk aan te pakken wegens het maken wederrechtelijk onderscheid en daarmee strafbare discriminatie, nihil zijn. Het "aanzetten' tot discriminatie zal evenmin bewezen kunnen worden. Niet elk terecht onwelgevallig beoordeeld besluit kan strafrechtelijk gecorrigeerd worden.

    • F. Janssens