Nobelprijs

Op de bovenste verdieping van het Frankfurt Hilton, in kamer 993, wordt een Nederlandse schrijver katerig wakker met een vage herinnering aan het feest van de afgelopen nacht. Het liefst zou de Nederlandse schrijver nog wat doorslapen. Hij draait zich om en zweeft door het grensgebied van waken en dromen.

Niet bekend

Plotseling zit de Nederlandse schrijver recht overeind in zijn bed! Ze gaan die prijs toch niet aan C. geven? C. is zeker een geschikte vent, daar gaat het niet om. Ontegenzeglijk is C. een amusante causeur, met wie het aangenaam tafelen is, maar het zou toch onzinnig zijn als hij voor dat onbenullige boekenweekgeschenkje de Nobelprijs zou krijgen. Bovendien zou C. het gewicht van die prijs helemaal niet aan kunnen. C. zou nog ijdeler worden dan hij al was. Het is al erg genoeg, maar in dat geval zou C. alleen nog maar over zichzelf kunnen praten. Nee, C. zou volstrekt onverdraaglijk worden. De Nederlandse schrijver huivert en kan de slaap niet meer vatten.

Een verdieping lager, in kamer 893 van het Frankfurt Hilton, ligt tegelijkertijd een andere Nederlandse schrijver te woelen in zijn bed. Op zijn nachtkastje bevindt zich het laatste nummer van Der Spiegel, waarin de andere Nederlandse schrijver door een van de belangrijkste Duitse critici wordt aanbevolen voor de Nobelprijs. Maar je weet nooit met die jongens in Stockholm, denkt de andere Nederlandse schrijver, straks zijn ze nog zo gek om die prijs aan H. te geven. Als H. die prijs krijgt, zou een normale omgang met hem niet meer mogelijk zijn. H. zou God worden, de God van de verwatenheid, een marmeren standbeeld bovenop de Olympus, zoveel is wel zeker. Er loopt een rilling over de rug van de andere schrijver en ook hij kan de slaap niet meer vatten.

Weer een verdieping lager, in kamer 793, draait een Vlaamse schrijver zich van de ene zij op de andere. Vorig jaar had hij al een persconferentie georganiseerd voor het geval hij die prijs zou krijgen. Dit keer moet het lukken, al was het alleen maar om van het jaarlijkse gezeur af te komen. Maar stel nu eens dat ze die prijs aan H. of C. zouden geven? Onuitstaanbaar zouden ze worden. De Vlaamse schrijver moet er niet aan denken en verstijfd van schrik trekt hij de lakens over zich heen.

Nog een verdieping lager, in kamer 693, ontwaakt een Nederlandse schrijfster. In Amerika zijn haar historische romans een groot succes. Bovendien is er nu een vrouw aan de beurt, dus waarom zou zij die prijs niet krijgen? Maar dan ziet zij H., C. en de Vlaamse H.C. voor zich en dit visioen van mannelijke zelfingenomenheid is zo akelig dat zij haar gezicht diep in de kussens drukt.

Kamer 593, nog een verdieping lager, is leeg. Die was gereserveerd voor W.F., misschien wel de grootste schrijver in het Nederlands taalgebied. Maar W.F. is in Brussel gebleven. Nu ijsbeert hij door zijn kamer en wanneer hij denkt aan al die dromende schrijvers in het Frankfurt Hilton klinkt zijn lach schor als het gehijg van een verroeste stoommachine.

Ook kamer 493, een klein zijkamertje, is onbezet gebleven. Dit vertrekje was bestemd voor de dichter K., die jarenlang is genomineerd. In Amsterdam staart de dichter zonder hoop uit het raam, maar toch ontsnapt hem een ogenblik de gedachte: “Wat zullen die ijdele kwasten opkijken, als ik per ongeluk die prijs toch krijg.”

Precies om een uur zetten H., C., H.C., H.H., W.F. en K. de radio aan om naar het nieuws te luisteren. Als ze horen wie dit jaar de Nobelprijs heeft gekregen, is er eerst iets van teleurstelling. Maar dan klaren hun gezichten op. Zij beginnen zelfs te stralen. Het ergste is afgewend.