Neushoornbeestfamilie; Drie Nederlandse prentenboeken

Lidy Peters en Marijke Brugmans: Een kusje in een doos. Uitg. J.H. Gottmer. Prijs ƒ 22,90.

Sander de Heer: Ferdinand, het witte neushoornbeest. Uitg. Lemniscaat. Prijs ƒ 24,50.

Patsy Backx: Het verhaal van Stippie en Jan. Uitg. Jenny de Jonge. Prijs ƒ 24,50.

Een kusje in een doos van Lidy Peters en Marijke Brugmans bevat 26 nonsensversjes over de letters van het alfabet. De versjes zijn, zoals dat bij goede nonsensversjes hoort, niet goed na te vertellen. Ze bevatten nieuwe woorden (iedewiedie, hutsekluts), woordcombinaties (drakendromenland), woorden krijgen een andere functie (waarop en waaronder wonen op een vlonder), letters worden verwisseld, en er wordt eindeloos op klanken gevarieerd. Dat klinkt dan bijvoorbeeld zo: X, X / ix is nix / negen neuzen neuzelaar / niezen X in het dressoir / X,X / ix is nix.

De kleurige potloodtekeningen die bij de versjes staan zijn zo mogelijk nog wilder dan de tekst. Molens staan op wielen, bij de Q heffen honderd hanen een koor aan, en overal krioelen speelgoedbeesten en dieren. Ik weet niet zeker of de tekeningen de tekst altijd versterken. Soms is er zoveel op te zien dat het effect van de klankrijmen meteen weer een beetje teniet wordt gedaan.

De tekeningen in Ferdinand, het witte neushoornbeest van Sander de Heer (uitg. Lemniscaat) zijn wat dat betreft aanmerkelijk rustiger. De Heer heeft naast zijn 168 strofen lange balade over een neushoorn uit Swahili die naar het Nederlandse Nieuwersluis verhuist, rustige gewassen zwart-wit tekeningen gemaakt die zijn verhaal uitstekend ondersteunen.

Sander de Heer schrijft even aanstekelijk als hij tekent, al hindert het mij soms dat zijn personages vlotte uitdrukkingen gebruiken als "dan kan ik het wel schudden'. Ook de Heer houdt van nieuwe, lange woorden (neushoornbeestfamilie, nieuwersluizerochtendbladverdeelkantoor). Het is even goed kijken wat er staat, maar dan vergeet je zo'n woord ook nooit meer.

Het verhaal van Stippie en Jan van Patsy Backx (uitg. Jenny de Jonge) is vergeleken met de vorige twee boeken buitengewoon simpel. Maar wat het aan opwinding mist, wint het weer door de fraaie uitvoering van de illustraties. Het verhaal gaat over twee outcasts die elkaar uiteindelijk vinden. De een is een jongetje Jan dat op een station werkt. Hij houdt erg van dansen, maar de mensen op het station vinden dat raar. De andere outcast is het hondje Stippie dat door zijn baas en bazin in een park wordt achtergelaten als ze op vakantie gaan.

Patsy Backx heeft zo te zien goed naar Jo Spier gekeken. Met enkele lijnen en een goed gekozen houding weet ze perfect een wereld van kleine gevoelens op de roepen.

Het is jammer dat er niet met een even vakkundig oog naar de gedichtjes is gekeken. Daar zitten nu nogal wat stopwoordjes in om het metrum kloppend te krijgen, die met wat meer schuiven en puzzelen vermeden hadden worden.