Mijn herder

In een bespreking van mijn stukjes over de natuur wordt in het Reformatorisch Dagblad opgemerkt dat ze nog beter zouden zijn als ik maar begreep "dat het God is, die Zijn naam uitschrijft in de werken van Zijn schepping'.

Nou, daar gaan we dan.

Wat mij bij blijken van geloof nog steeds ontroert, dat is de poëzie ervan. Ik onderga de taal van de bijbel net als die van Rutger Kopland. Zij wortelt bovendien dieper en omvat een grotere gemeenschappelijkheid.

De Heer is mijn herder. Daar kan ik stil van zijn. Of van een knokig vrouwtje met een kaarsje in de Keulse dom. Ik respecteer de overgave die ik zie, de machteloosheid die ik hoor.

Ik vrees alleen dat weinig gelovigen hun geloof als poëzie beleven. En ik vind dat de vraag van geloof of ongeloof formeel moet worden beantwoord. Dus ja of nee op het bestaan van God.

Een tijdlang heb ik de moeite genomen om nee te zeggen. Toen begon ik me af te vragen wat voor verschil het voor de wereld maakt of God bestaat of niet. Geen enkel, lijkt mij. Toen dacht ik nog dat het geloof in God verschil uitmaakt. Maar dat denk ik ook niet meer. Beslissend is wat mensen doen - dat is wat anders dan zij denken of geloven te doen.

In goed en kwaad geloof ik wel, maar dat behoort weer tot de werking van de poëzie.

En de ganzen, zij vliegen heel behoorlijk uit zichzelf.

    • Koos van Zomeren