Kritiek Raad van State over wijziging forfait

DEN HAAG, 8 OKT. De Raad van State plaats kritische kanttekeningen bij het initiatiefwetsvoorstel van de Kamerleden De Korte en Van Rey (VVD) om het arbeidskostenforfait, het bedrag waarover mensen met een baan geen belasting hoeven te betalen, te verhogen van vijf tot tien procent met een maximum van 500 gulden. Het adviescollege noemt de maatregel “erg kostbaar” en vraagt zich af “of het voorstel toereikend is voor het door de indieners beoogde werkgelegenheidsdoel”.

Het kabinet heeft aangekondigd dat het arbeidskostenforfait volgend jaar met 500 gulden wordt verhoogd tot 2.100. Maar het kabinet kiest voor een andere methode. In het kabinetsplan wordt het percentage verhoogd tot zes procent van het bruto jaarloon met een maximum van 2.100 gulden. Door een verhoging van het forfait wordt het verschil tussen een sociale uitkering en een baan groter. Dit motiveert mensen aan de slag te gaan.

Tijdens de Algemene en politieke beschouwingen pleitte PvdA-fractievoorzitter Wöltgens voor een andere invulling van de verhoging van het arbeidskostenforfait dan het kabinet. De PvdA wil het percentage een aantal jaren met één procent verhogen, maar het maximum lager vaststellen. Voor volgend jaar zou het tarief moeten worden verhoogd van vijf naar zes procent met een maximum van bijvoorbeeld 1.800 gulden. Dit is relatief gunstig voor de lagere inkomens en minder gunstig voor de midden- en hoger inkomens.

In het advies over het VVD-initiatief oordeelt de Raad van State dat met het arbeidkostenforfait inkomenspolitiek wordt bedreven omdat er geen relatie meer ligt tussen de werkelijke arbeidskosten en het forfait. In het VVD-voorstel zijn de koopkrachteffecten gering (ongeveer 16 gulden per maand voor iemand met een inkomen van 45.000 gulden) waardoor de effecten op de werkgelegenheid zeer gering zijn, aldus de Raad. In het advies over de miljoenennota 1994 plaatste de Raad van State ook al kanttekeningen bij het kabinetsbesluit om het forfait te verhogen; de Raad vraagt zich af of de maatregel werkelijk meer mensen tot werk motiveert.