Imme Dros over een kleuter in een leunstoel; Ik kan alle kussen van de wereld

Imme Dros: De blauwe stoel, de ruziestoel. Tekeningen Harrie Geelen. Uitg. Querido. Prijs ƒ 24,90

Een afgedankte, lage leunstoel op een half donkere zolder kan voor een kind van alles zijn: een klimrek, een vijver, een eigen kamertje, een trein of de muil van een walvis. Zo'n plomp meubelstuk bekleed met bloemetjesstof - de armleuningen stevig en rond, de rugleuning hoog en uitlopend in twee forse oren - is een rustig eigen plekje en een speeltuin op binnenhuis-formaat.

Als er ruzie in huis is zit Jannie Julia in zo'n grote stoel, haar ruziestoel, die met zijn hoge rug naar het gat van de zoldertrap gekeerd staat. “Er wordt veel te hard geschreeuwd. Er wordt veel te zacht gefluisterd.” Het meisje, dat hoofdpersoon en af en toe verteller is in het nieuwe boek van Imme Dros en Harrie Geelen, klemt haar beer en haar pop tegen zich aan. Ze wacht tot het ophoudt. En ondertussen fantaseert en speelt ze verhaaltjes, in en op die grote stoel.

De blauwe stoel, de ruziestoel bestaat uit zes van die korte verhaaltjes, waarin Jannie Julia zichzelf een stralende hoofdrol heeft toebedacht - en Beer, Lappepop, Lievepop, Gele Eend en Poes ("als Poes wil') dienende bijrollen. Imme Dros begeeft zich hier op gevaarlijk terrein: inleving in de kinderziel en weergave van (vermeende) kindertaal kan gemakkelijk ontaarden in flauwiteiten of gewild aandoen. “Ik was de mevrouw met de hoed. (-) En jij, Poes, jij knipte de kaartjes.”

Maar Dros met haar indrukwekkende produktie (alleen al in 1992 en '93 vijf boeken) is ervaren genoeg om niet te trappen in die val, die klaar ligt voor iedereen die voor kinderen schrijft. De bloedernstige kinderlogica van de verhaaltjes heeft precies die originaliteit die bij kinderen vaak zo vanzelfsprekend en zo aardig is. “Waar zijn de prinsen om Doornroosje en Sneeuwwitje te kussen? "Ik ben de prinsen,' roept Lappepop. "Ik kan alle kussen van de wereld.' Moedige Lappepop, hij heeft het hart van een tijger.”

De kleurige schilderijtjes van Harrie Geelen, op iedere bladzijde één, geven de uit vrije associaties opgebouwde wereld van de kleuter Jannie Julia prachtig weer. Als een van de poppen in een vrolijke hutspot van sprookjes opeens Assepoester is, die op het bal rondzweeft op haar glazen schoentjes, toont Geelen een pop die zich vol overgave op een grote blauwe bal heeft gestort en daarop voortrolt over de zoldervloer.

Sporen van de huiselijke ruzies die Jannie Julia in haar blauwe stoel ontvlucht, duiken af en toe op in haar fantasiewereld. Het meisje en haar poppen maken af en toe óók ruzie, en vooral Lappepop moet het dan ontgelden: hij wordt de trein uitgezet ("Weg jij'), hij krijgt geen medaille van de koningin ("Omdat je een lappepop bent, daarom'), hij heeft liefdesverdriet en hij zakt door het ijs. Maar daar wordt niet moeilijk over gedaan, netzomin als over de ruzies die Jannie Julia de zolder doen opzoeken. Ze zit veilig in haar blauwe ruziestoel, tot ze ergens in huis weer hoort lachen of zingen, en iemand haar naar beneden roept.