Heeft een stokvis een geweten? Filosofie op een Dordtse basisschool

Op de Dordtse Statenschool krijgen de leerlingen van 10 tot 12 jaar elke week een uur filosofieles. “Krijg je altijd alles wat je wilt hebben?” vraagt onderwijzeres Hedy van Ockenburg. “En hoe zou het zijn als je altijd alles zou krijgen?”

Centrum voor Kinderfilosofie, Universiteit van Amsterdam, Nieuwe Doelenstraat 15, 1012 CP Amsterdam, 020-525.4505/4500.

Van de lesmap 'Kinderfilosofie op de basisschool' verschijnt in februari bij het SLO een nieuwe, herziene uitgave.

“Wat is dat eigenlijk, verwend zijn?”

Vingertjes gaan omhoog, groep zes tot acht van de Dordtse Statenschool weet het wel. “Als je heel veel hebt, en nog meer krijgt, dan ben je verwend,” zegt een meisje. “Als je altijd je zin wilt hebben,” zegt een ander, “dan word je vanzelf een verwend kreng.” En een derde: “Als je je kamer op moet ruimen, en je wilt het niet, en je moeder zegt: nou laat dan maar.” Aan strenge ernst geen gebrek. Een jongetje vindt zichzelf wel een beetje verwend: hij heeft "best veel auto's,' zegt hij.

Ze zitten met zijn achtentwintigen, tien tot twaalf jaar oud, in een kring en ze filosoferen, zoals de les officieel heet. Vorig jaar begon de school met enkele experimentele lessen "filosoferen op de basisschool'. Dit jaar wordt het vak voor het eerst in alle klassen gegeven, één keer per week, een klein uur lang. Over vragen als "Kun je iets expres vergeten?', "Kunnen twee mensen dezelfde gedachte hebben?', "Heeft een stokvis een geweten?' of - klassieker klinkend in wijsgerige oren - "Hoe weet je van jezelf dat je denkt?'

Over wensen, krijgen en verlangen gaat het vandaag. Roald Dahl geeft de opmaat; zijn rijmverhaal "De miereneter' vertelt op video over een jongetje dat alles al heeft, en daarom zoiets exotisch als een miereneter cadeau vraagt. Maar eten geeft hij het beest niet, en mieren zijn nergens te vinden. Uitgehongerd vergrijpt het zich tenslotte aan oudtante Myra, wier naam hij met dat van zijn favoriete kostje verwart, en als straf eet hij het jongetje er als toetje bij. “Grappig”, vindt Saskia, “de tante wás geen mier, maar heette alleen zo.” Zielig voor de miereneter, vindt Jette. En Joep heeft zijn oordeel klaar: “Dat jongetje was gewoon veel te hebberig”'.

Daarmee is de toon van het gesprek gezet. “Krijg je altijd alles wat je wilt hebben?” vraagt onderwijzeres Hedy van Ockenburg. “En hoe zou het zijn als je altijd alles zou krijgen?” Gretig gelach, sommigen lijkt het wel wat. Maar de prudentie wint het snel. Het zou al snel gaan vervelen, vindt Valerie. Ergens voor moeten sparen is veel spannender, zegt Danny. Laila is bang dat je dan alleen maar steeds méér wilt. En de scheve ogen van vriendjes en vriendinnetjes vinden de meesten ook niet zo'n leuk vooruitzicht.

Is dat nou filosofie? Onderwijzeres Hedy van Ockenburg vindt van wel. “Ik heb zelf de ervaring gehad hoe belangrijk het kan zijn iets aan filosofie te doen: de dingen niet zomaar aannemen, maar je ervan bewust te maken wat je vindt en waarom je het vindt. Zo krijg je meer vertrouwen in jezelf, meer respect voor je eigen mening.”

“En voor de mening van anderen”, vult schooldirecteur Ids Tijsseling aan. “In een filosofisch gesprek is het allereerst van belang dat je naar elkaar luistert, naar elkaars argumenten. Na een tijdje merk je dat kinderen gevoeliger worden voor de vraag wat een goed of slechts argument is. Dat zie je ook in de gewone kringgesprekken terugkomen: dat argument van jou klopt niet, zeggen ze dan.”

Lichaam-geest

Kinderfilosofie is nog jong. De filosofische faculteit van de Universiteit van Amsterdam kent er sinds 1989 een bescheiden centrum voor, dat vorig jaar een eerste Nederlandse lesmap publiceerde. In enkele tientallen scholen deed het Centrum voor Kinderfilosofie daarmee inmiddels ervaring op. Hoe vaak het materiaal op andere scholen al dan niet incidenteel gebruikt wordt, weet men niet.

Amerika was voor het Centrum het grote voorbeeld. Daar wordt het vak al bijna twintig jaar gegeven; in een enkele staat is het op de basisschool verplicht. Verbeterde prestaties in taal en rekenen worden aan de positieve invloed van het vak toegeschreven, meldt Berrie Heesen, naast Karel van der Leeuw de drijvende kracht achter het Centrum.

Voor schoolhoofd Tijsseling is dat nog te vroeg. “Ik vind het op zichzelf al belangrijk genoeg dat je op school leert denken en leert luisteren. In dat leerproces komen dan vanzelf de grote filosofische vragen ter sprake, al is het natuurlijk op een heel simpel niveau. Het lichaam-geest probleem wordt aangestipt en misschien leidt dat op den duur tot een echte filosofische belangstelling. Maar het belangrijkste is dat ze er nu met elkaar over nadenken.”

In groep zes tot acht is inmiddels verwarring ontstaan over het verschil tussen wensen, kopen en krijgen. “Een vrouw of kinderen kun je niet kopen”, roept Eva tot hilariteit van de hele klas, waarvan vermoedelijk niet iedereen begrijpt dat Eva bedoelt dat je die wel wènsen kunt. Valerie geeft een nieuwe draai: “Een wens hoeft niet alleen te zijn: ik wou dat ik een auto had. Het kan ook zijn: ik zou willen dat ik kon vliegen.” Martijn begrijpt haar: “Kleine kinderen willen soms koning worden. Dat heb ik ook wel gewild. Maar dat kun je alleen worden wanneer je de zoon van Beatrix bent.”

Het is waarschijnlijk geen toeval dat kinderfilosofische gesprekken zo vaak cirkelen om de vraag wat de woorden die we gebruiken nu eigenlijk betekenen. “In die gesprekken,” zegt Hedy van Ockenburg, “wordt duidelijk dat lang niet iedereen zich bij een woord als "verwend' hetzelfde voorstelt. En dan blijkt ook dat één woord vaak een heleboel bijbetekenissen met zich meesleept.”

“Om die reden sluiten die gesprekken heel goed aan bij het taalonderwijs”, zegt Tijsseling, die zelf vooral in de taalanalytische filosofie geïnteresseerd is. Hoewel het lesplan alle filosofische disciplines bestrijkt - al is het ten aanzien van de ethiek enigszins terughoudend, uit angst dat filosofie een moraalles wordt - vormt de taal vaak een natuurlijke toegang tot wijsgerige kwesties. “Zo ben ik een les over esthetica wel eens begonnen door de kinderen op een briefje een voorbeeld te laten geven van iets dat iedereen mooi vindt”, zegt Berrie Heesen (die niet voor niets is afgestudeerd op Wittgenstein). “En dan krijg je rustig antwoorden als "blauw is een mooie kleur'. Laat je anderen daar dan op reageren, dan zit je direct midden in de discussie: wat is mooi? En: wat betekent het woord mooi?”

Via de complicaties van de taal nadenken over de complicaties van de werkelijkheid - Hedy van Ockenburg stuit tijdens haar les ook gemakkelijk op de grenzen daarvan. Het jongetje dat zichzelf verwend vindt omdat hij zoveel auto's heeft, krijgt van haar diepzinnige steun. “Als je dat over jezelf kunt zeggen, ben je dan eigenlijk nog wel een verwend kind?” vraagt ze. De klas kijkt peinzend terug, geen vinger gaat de lucht in. Het gaat ze net iets te ver. Toch schrikt een enkeling voor een diepzinnige kalenderspreuk niet terug. “Je hoeft niet altijd te wensen om gelukkig te zijn”, zo zal Danny later de discussie besluiten.

Wanneer het klasje tamelijk ordelijk het lokaal uitstommelt omdat de gymles wacht, blijven twee jongetjes nog even achter. Ze brommen wat tegen elkaar, en slenteren dan naar buiten. “Nou”, zegt de een tegen de ander in het voorbijgaan, “ik vind mijzelf anders helemaal niet zo verwend.”

    • Ger Groot