Geknuffelde lapjes; Tien berenverhalen van tien auteurs

Een huis vol beren. Tien verhalen door Paul Biegel, Imme Dros e.a. Tekeningen Harrie Geelen. Uitg. De Boekerij/Van Goor, 128 blz. Prijs ƒ 27,50.

Een van de ergste dingen die een knuffelbeer kunnen overkomen is, natuurlijk, te worden afgedankt. Je kan als beer dan nog maar beter zoek raken. Maar één ding is nog erger dan te worden afgedankt. “Jullie hebben heimwee,” zei de grote beer langzaam (tegen de beren met wie hij in het Rusthuis voor Beren verblijft). “Jullie verlangen naar je baas en naar de plek waar je thuishoort. Jullie kunnen met zijn allen klagen en huilen en dromen over vroeger. Daarom benijd ik jullie! Wat zou ik er niet voor geven om te kunnen klagen en huilen en dromen over vroeger toen alles zo heerlijk was. Wat zou ik niet over hebben voor één enkele herinnering aan een arm om me heen, een stem die me roept, een nacht in een warm bed tegen iemand aan. Maar ik heb niets. Niet eens een naam heb ik. Ik ben een BzB.” Het is duidelijk: het allerergste dat een knuffelbeer kan overkomen is om een BzB te zijn, een Beer zonder Baas. Een BzB kan niet eens worden afgedankt.

Het verhaal dat Imme Dros schreef over de BzB is aangrijpend, en ook wreed. Deze beer heeft het namelijk goeddeels aan zichzelf te danken dat hij een BzB bleef. Hij was ooit een "onweerstaanbaar mooie beer', afkomstig uit een particulier atelier, ontworpen door een kunstenaar. Hij achtte zichzelf alleen geschikt voor een koningskind en “wilde liever niet in handen vallen van een minder soort baas dan hij verdiende”. En dus bleef hij alleen.

De andere verhalen in Een huis vol beren, geschreven door tien schrijvers, naar een idee van Paul Biegel, zijn niet zo dramatisch. Er gebeuren af en toe wel dramatische dingen, maar die missen meestal overtuigingskracht doordat ze te extreem zijn, te onwaarschijnlijk. Zoals, in het verhaal van Rita Törnqvist, de mishandelingen van beer Nalle, die hun climax vinden wanneer zijn baasje hem op een spijkerbed legt en er bovenop gaat dansen. Of zoals de schipbreukeling in het verhaal van Wim Hofman. Bij deze beer worden onder meer door vogels de ingewanden uit de maag gepikt. Het zijn niet meer dan lapjes en draadjes wol natuurlijk, maar toch.

Tegenover deze gruwelijkheden staat een behoorlijke dosis sentiment. Teveel soms. Het geknuffel is niet van de lucht. Beer Patrick “dacht aan de wang van het jongetje, zijn lippen, zijn geur, de handen die hem stevig vasthielden ... Was hij maar hier, dacht Patrick. Ik wil ook geknuffeld worden”. Hoezeer ze ook mishandeld worden, vergeten, achtergelaten, verraden zelfs, de vergevingsgezindheid van een beer kent geen grenzen. Allemaal hopen ze ooit door hun baasjes te worden opgehaald. Behalve twee beren die ooit als bazin een meisje hadden dat niet om knuffelberen gaf, maar dat door een misverstand twee beren kreeg opgedrongen. “"Ik ben nu eenmaal geen berenkind,' zei Anna tegen hen.” Ze liet hen op een keer expres achter in de trein. Zij zullen niet opgehaald worden, maar zij hebben elkaar, en zijn van alle beren in het tehuis dus het gelukkigst.

Het mooiste verhaal, naast dat van de BzB, is het verhaal van de kermisbeer, geschreven door Harrie Geelen. Deze beer was in een schiettent gewonnen door de vader van een klein meisje met een ballon en een suikerspin. Direct daarna waren het meisje en de beer bij toeval getuige van een bankoverval. De beer valt van het dak van de bank bovenop de overvaller, en raakt daarbij zijn kersverse bazin kwijt. “"Het meisje moet u terug komen halen', zei een van de beren. "Dat zou mooi zijn', zei de dikke beer. "Ik zeg het nóg eens: ze had lekkere, plakkerige handen. Maar u begrijpt dus dat ik niet voorgoed afgedankt ben. Hoogstens een keer van het dak. En iedereen dankt wel eens een keer ergens vanaf.' ”

    • Janneke Wesseling