Eerst kunst worden en dan sterven; Ingenieuze roman van Martin Hartkamp

Martin Hartkamp: Flitslicht. Uitg. Bert Bakker, 276 blz. Prijs ƒ 34,90.

Flitslicht, de eerste roman van Martin Hartkamp in elf jaar, lijkt op de eerste bladzijden het verkeerde boek te worden. We maken kennis met een succesvolle fotograaf (Pelle) die na een lang verblijf in het buitenland een jeugdvriend (Castor) opzoekt, nu een beroemd schrijver. Uit de beschaafd hatelijke gesprekken blijkt dat een oude vete tussen de twee veertigers dreigt op te laaien.

Die vete draait om vrouwen en dus lijkt het verdere verloop van de roman vast te staan: relatiegedoe van geslaagde kunstenaars in een omgeving van "marmer, leer en chroom: een kil interieur'. Designproblemen - kan het minder meeslepend? Maar schijn bedriegt. De roman waarmee Martin Hartkamp op z'n vijftigste in feite voor de tweede keer debuteert is een gedreven boek.

In dubbel opzicht: Flitslicht vertelt het verhaal van twee vrienden die beiden bezeten, rivaliserende kunstenaars zijn geworden. En de manier waarop Hartkamp dat gegeven tot in detail heeft uitgewerkt verraadt een bezield auteur. Eentje die in dat opzicht niet voor zijn personages onderdoet.

De roman draait om een vraag die ergens halverwege bijna terloops wordt gesteld: "Waar zijn we toch in vredesnaam mee bezig als we zo met anderen bezig zijn.' Het gaat dan om de "ander' in de vriendschap, de liefde en de kunst.

Pelle ("Pollux') en Castor leken in hun jeugd het voorbeeld te zijn van een harmonieuze vriendschap. Zoals de gelijknamige zonen van Zeus en Leda, waren ze voorbestemd om als een tweeëenheid door het leven te gaan. Maar in plaats van eeuwige harmonie, kwam er eeuwige rivaliteit. De harmonie was slechts schijn: "Castor heeft nooit Pollux tegen mij gezegd'. De missie van Pelle is om dat recht te zetten.

Wat de "ander' in de liefde en de kunst betreft: vooral Pelle heeft de neiging om zijn geliefden tot object van zijn kunst te verheffen. Daarmee houden die geliefden op "subject' te zijn: ze verstenen, gaan in zekere zin dood. In een ontroerende passage wordt dat trauma, dat een spoor van vernieling in Pelles leven heeft achtergelaten, duidelijk gemaakt.

Zijn eerste grote liefde heette Nora. Hij wilde maximaal tot haar - "het wezen van haar wezen' - doordringen door naaktfoto's te maken. Zij wilde dat alleen toelaten als hij die foto's onmiddellijk zou vernietigen. "Alles moet worden verscheurd. Je moet steeds nieuwe maken. Dan blijf ik in leven. Ik verander: dat moet je aanvaarden. Als je me wil vasthouden zoals ik ben, maak je me dood.' Pelle aanvaardt dat niet en Nora verdwijnt uit zijn leven.

Nep-Zeus

Wat Pelle ervaart is, dat zijn scheppende kracht in de kunst, een vernietigende kracht is in zijn dagelijks leven. Voor Castor geldt iets dergelijks: deze "nep-Zeus', zoals Pelle hem omschrijft, gebruikt zijn omgeving om romans uit te destilleren.

Ook Pelle blijkt, zonder dat hij het weet, een rol in een door Castor en zijn dochter Iris (de godin-boodschapster) opgezet plan te spelen. De ontmoeting na zes jaar is geënsceneerd: Pelle moet een personage worden in Castors nieuwe roman, die over een fotograaf handelt. Pelle dreigt te sterven, zoals Nora in zijn kunstenaarshanden gestorven is.

Dit klinkt allemaal behoorlijk ingewikkeld en bedacht. Dat zou ook zo zijn, als Hartkamp de centrale vraag van zijn roman - "Waar zijn we toch in vredesnaam mee bezig als we zo met anderen bezig zijn' - op een doorsnee manier zou hebben behandeld. Namelijk door hem te beantwoorden. Maar dat gebeurt niet. Niet voor niets ontbreekt in die vraag een vraagteken: het is een vraag zonder de hoop op een antwoord.

Het verhaal van Pelle, Castor, Iris en Nora wordt in de roman verweven met gelijksoortige verhalen uit de kunstgeschiedenis en de Griekse mythologie. Castor en Pollux, Rodin en Camille Claudel, Alexander de Grote en diens hofschilder Apelles en minnares Pankaspe, zij spelen een minstens zo belangrijke rol in de roman.

Flitslicht is dus in hoge mate een "verliteratuurd' boek. Maar de manier waarop Hartkamp die bestaande en nieuwe verhalen op elkaar laat reageren, is meesterlijk. Soms overlappen ze elkaar, soms botsen ze; de ene keer verschaffen ze helderheid, de andere keer vertroebelen ze het zicht op de gebeurtenissen.

In een interview met de Volkskrant omschreef Hartkamp zijn boek onlangs als "chaotisch'. Een modieuze term, die de lading maar voor een deel dekt. De roman zit in elkaar als een schaakspel, waarbij het waarom van bepaalde zetten pas later blijkt - of helemaal niet. En zoals elke zet in een schaakspel een herhaling is van eerdere zetten, of een variant daarvan, zo is elke beweging in Flitslicht dat ook. Het spel blijft tot het einde toe spannend, door de ingenieuze manier waarop Hartkamp het speelt.

De paar zwakke momenten doen daar weinig aan af. Het slot, bijvoorbeeld, waarin Pelle zijn Nora terugvindt zoals Orpheus zijn Eurydice, doet kunstmatig aan. Maar het heeft nog de verdienste dat het een van de gewaagdste metamorfosen uit de Nederlandse literatuur is.

De liefdesgedichtjes die Hartkamp door de roman strooit, zijn in elk geval niet te verdedigen. Ze zijn weliswaar betekenisvol - Pelle waagt zich er mee op het terrein van zijn rivaal Castor - maar ze zijn pijnlijk naïef.

Alleen in de wereld van de fictie doen gedichten als dit een vrouwenhart sneller kloppen:

Ik had een droom: ik deed bij jou examen,

redde het niet, maar je omhelsde mij;

ik legde 't vast. 't Ligt vast nu: ik en jij

steeds bij elkaar en altijd samen. Amen.

    • Gertjan van Schoonhoven