Een hygienisch heer; Vrolijke essays van Jaap van Heerden

Jaap van Heerden, Van oude en nieuwe trauma's. Uitg. Prometheus. 153 blz. Prijs ƒ 24,90.

Het herlezen van de hoofdzakelijk in deze krant gepubliceerde stukken in Van oude en nieuwe trauma's, het vijfde boek van Jaap van Heerden, stemt tot bescheidenheid en zelfonderzoek. Waarom, zo gaat men zich afvragen, is nooit bij mij het idee opgekomen om lid te worden van de Levinas-studiekring, of de vraag of Eline Vere seksueel misbruikt werd? Waarom heb ik mijn leven lang het foyerprobleem weggedrukt, allerhande bedreigde gevoelens aan hun lot overgelaten en geweigerd het bestaan van nieuwe trauma's, zoals het transgenerationele, tot me door te laten dringen?

Deze en vele andere door Van Heerden wel opgemerkte zaken worden zonder vermanend vingertje aan ons voorgelegd. Soms twijfelt men wel eens aan de ernst van de auteur. In een beschouwing over de verveling kan men bijvoorbeeld de opmerking tegenkomen als zou de filosoof Russell "niet op het idee gekomen zijn dat de verveling metafysisch informatief' was. De lezer, geconditioneerd in zijn schuldbesef allerhande ideeën niet te krijgen, moet wel van goeden huize komen om in te zien dat Van Heerden bedoelt dat het helemaal niet slecht was van Russell dat hij dat idee niet had. De verwarring stijgt ten top als men vervolgens een citaat voorgelegd krijgt van Heidegger - die dat idee wel had - en men onder het lezen daarvan bekropen wordt door het vermoeden dat het citaat niet van Heidegger is. De lezer oordele: “In einer Langeweile ist die Frage dar (-) in der es uns gleichgültig erscheint, ob das seiende ist oder ob es nicht ist, womit in eigenartiger Form wieder die Frage anklinkt:

warum ist überhaupt Seiendes und nicht vielmehr nichts?'' Dat kan toch alleen maar door Van Heerden zelf verzonnen zijn?

Zo wordt men voortdurend gemaand op de hoede te zijn en aangezet tot zelfwerkzaamheid. Als Van Heerden het dunne boekjes-syndroom aan de orde stelt en hij probeert literaire analogieën te vinden voor de problemen van jonge meisjes, wordt de lezer dan verondersteld het feit dat Van Heerden zelf ook dunne boekjes schrijft in zijn evaluatie mee te nemen? En wat dan te doen met zijn opmerking dat men de schrijvende anorexiet herkent aan zijn dunne haar en van de achterflap knikt ons een krullebol, een minder geploegd gelaat waardig, toe? Op zijn minst eigenaardig is het effect van zijn artikel over het horen van stemmen. Wanneer Van Heerden een schrijver redelijk kent, gaat het lezen van deze schrijver bij hem ongemerkt over in luisteren. De lezer heeft het nog niet gelezen of de melodieuze, ietwat nasale, ietwat staccato gehanteerde stem van Van Heerden welt uit de pagina's op.

Als Van Heerden de vraag stelt, “wiens homunculus ben ik eigenlijk?” slaat de lezer meteen aan het zoeken naar de kleine mensjes in Van Heerden. Je moet oor voor een dergelijk onderzoek hebben. Hier en daar klinkt Kousbroek door, elders De Swaan. In een essay dat het pijnlijk ontbreken van de cognitieve roman met problemen als “hoe krijgt de hoofdpersoon deze zin geformuleerd?” signaleert, merkt hij op dat men bij Mulisch en Vinkenoog mogelijk te rade kan gaan om inzicht te krijgen in de menselijke ziel. “Maar bij die auteurs heb ik nog nooit iets zinnigs over de aangesneden kwesties gelezen.” Zo'n zin, dat is helemaal Karel van het Reve.

Ik durf wel de stelling aan dat Van Heerden als essayist bij Van het Reve "vertrokken' is, om het te formuleren in een jargon waaraan hij zo de pest heeft. Maar ja, een zin als: "Het is een historisch feit dat een beter idee, als het op de formulering aankomt, vaak eerder afhankelijk was van de toevoeging van een logische constante als de ontkenning dan van verbale virtuositeit' is echt helemaal Van Heerden. Zelf hou ik wel van dergelijke zinnen.

Waar ik ook van hou is de afkeer van humbug en duisterheid waarvan de stukken doortrokken zijn. Het boek bevat hilarische voorbeelden van die humbug, en het schrijnende is dat die komen van filosofen van naam en Nobelprijswinnaars. Van Heerden moet niets hebben van de gemakzuchtigheid moeizame verstandelijke overwegingen te verruilen voor een direct intuïtief oordeel dat niet ter discussie kan staan. Dat is ook de reden van zijn diatribe in dit boek tegen het gezond verstand. Het verwarrende is dan weer dat ik meende juist in deze stukken het gezonde verstand te herkennen.

Een vrolijk en verstandig boek dus, dit vijfde. Een hygiënisch heer, die Van Heerden. Daar zal het wel mee samenhangen dat hij niet weet wat een potloodventer is. Hij denkt dat dat iemand is die in de lift pal tegen je aan gaat staan. Dat is niet zo.