De meester van de grappige bezorgdheid; Joke van Leeuwen, strijfster voor taalgevoeligen

Joke van Leeuwen, schrijfster en tekenares van het Kinderboeken- weekgeschenk, bevrijdt woorden uit hun dagelijkse jasjes. Niet alleen de hoofdpersonen, maar ook de taal gaat in haar vaak bekroonde boeken op reis en komt door elkaar geschud bij het einde aan.

Van Joke van Leeuwen zijn de volgende titels leverbaar:

Een huis met zeven kamers. Prijs ƒ29,90; De metro van Magnus, ƒ 24,50; Hoor je wat ik doe, ƒ26,50; Sus en Jum, ƒ16,90; Deesje, Prijs tot en met 23 oktober, ƒ15,-; Het verhaal van Bobbel die in een bakfiets woonde en rijk wilde worden, ƒ 22,90; Wijd weg, ƒ 19,90; Dit boek heet anders, ƒ 22,90. Alle bij uitgeverij Querido.

Bij uitgeverij Zwijsen verscheen: niet wiet, wel nel. Prijs ƒ 12,90.

Tijdens de Kinderboekenweek (13-23 oktober) zal Joke van Leeuwen op dertien plaatsen in het land de vertelvoorstelling "Nachtwerk' opvoeren, gebaseerd op haar boek Wijd weg.

Op de omslagen van de boeken van Joke van Leeuwen (1952) ziet men vaak een rond hoofd waarin twee ver uit elkaar staande kogelronde ogen kijken, boven een streepjesmond in een voorzichtige glimlach. Op het hoofd zit wc-borstelhaar. Dat hoofd is het hoofd van Deesje of van Sara of Lara of van Wiet en Nel of van Bobbel, maar het is, wie het ook voorstelt, altijd afkomstig uit het potlood van Joke van Leeuwen. Want Joke van Leeuwen is een van die begaafde schrijvers die niet alleen kunnen schrijven maar ook kunnen tekenen, net zoals bijvoorbeeld Wim Hofman of Margriet en Annemie Heymans of Lucebert of Leo Vroman. Het lijkt wel eens of zulke schrijvers meer nog dan andere uit een overvloed werken. In hun hoofd schieten zo veel dingen te voorschijn dat woorden niet toereikend zijn. Zij zijn als ze kinderboeken maken niet hun eigen illustratoren, die in plaatjes nog eens tonen wat de woorden ook al laten zien, maar zij helpen hun verhaal vooruit met een plaatje, geven extra interpretaties in hun tekeningen, maken daar grapjes die ze in de tekst niet nog eens over doen.

In een interview zei Joke van Leeuwen daar eens over: “Er zijn nu eenmaal dingen die zich makkelijker laten tekenen en andere die zich makkelijker laten schrijven. Een zin als "er waren tienduizend mensen op het plein' laat zich makkelijker schrijven dan tekenen, maar gelijktijdige gebeurtenissen zoals op een markt of in een speeltuin die kun je gelijktijdig in een tekening laten zien, terwijl je ze in tekst toch allemaal achter elkaar zou moeten beschrijven.” In haar boeken maakt ze maximaal gebruik van de mogelijkheden van tekeningen. Zo wordt in het succesvolle Deesje een angstige gedachte: “Als het maar geen pesterige kinderen waren” geïllustreerd met nachtmerrieachtige plaatjes:

plaatje 1 zouden die hier niet in de tekst erbij gezet kunnen worden?

Ook bezoeken aan het Escherhuis en Futurodam en het uitzicht vanaf de Trotse Toren worden niet beschreven maar verhelderend en altijd grappig getekend.

Joke van Leeuwen heeft met haar overvloed aan talent dan ook beslist niet te klagen over erkenning. Voor Deesje (1985) kreeg ze een Gouden Griffel en een Zilveren Penseel, voor Een huis met zeven kamers (1979) een Gouden Penseel en een Zilveren Griffel en verder kreeg ze nóg drie Zilveren Griffels en een Zilveren Penseel, allemaal in vijftien jaar tijd en voor in totaal dertien boeken.

Daar zitten heel verschillende boeken bij. Drie voor beginnende lezers: Sus en Jum, Fien wil een flus en het onlangs begriffelde niet wiet wel nel. Voor zulke boeken moet een schrijver zich aan allerlei regels houden: uitsluitend eenlettergrepige woorden, niet meer dan twee medeklinkers na elkaar, niet meer dan vijf woorden in een zin etc., regels kortom die de mogelijkheden enorm beperken. Het opmerkelijke is dat wie bijvoorbeeld Sus en Jum leest, met het krankzinnige gedoe over een koe die wel een kie moet zijn omdat ze bie zegt in plaats van boe, of niet wiet wel nel waarin wiet beweert dat hij een enorme kenner is van "het al', helemaal vergeet dat dit een boek is met een hindernis - eenvoudige woorden hoeven beslist geen saaie simpele verhaaltjes op te leveren. Eerlijk gezegd denk ik dat Joke van Leeuwen niet eens in staat is om saaie simpele verhaaltjes te schrijven. Zo werkt haar hoofd helemaal niet. Zij wil haar gedachten springerig houden, ze ziet een woord en denkt alweer aan een ander woord of merkt dat het een heel raar woord is en hoep, daar gaat het verhaal alweer een nieuwe, onvoorziene kant uit.

Bij die dertien boeken zit er ook een dat niet speciaal voor kinderen is geschreven, of, beter gezegd, dat niet als kinderboek is uitgegeven: De Tjilpmachine uit 1990. Wellicht bracht de uitgever het anders uit dan haar overige werk omdat het haar enige boek is dat niet vanuit een kinderperspectief is geschreven, al heeft de kwetsbare hoofdpersoon in allerlei opzichten veel kinderlijks behouden. Van Leeuwen zelf is niet zo gek op het onderscheid tussen kinder- en volwassenen literatuur, zonder dat ze daar een enorm punt van maakt. Ze vindt dat de boeken die ze schrijft gelezen moeten worden door lezers die er wat in zien, of dat nu kinderen zijn of volwassenen. Ze schrijft op de manier die haar bevalt, een manier die haar in staat stelt een lichte toon te bewaren, ook bij moeilijke of zware zaken. Ze voelt zich thuis in dit register, in deze stijl; het eeuwige gezeur over het verschil in status tussen schrijvers-voor-volwassenen en kinderboekenschrijvers noemt ze "miezerig'. Daar kan het niet om gaan. Men schrijft niet voor de status.

Waar het wel om zou kunnen gaan heeft ze geprobeerd aan te geven in een "Abecedarium' dat ze schreef na een verzoek van de Haagse Jan Campertstichting om haar visie te geven op de "(al dan niet) literaire status van jeugdliteratuur'. Daarin komen onder meer onderwerpen als Cynisme, Doelgroep, Ervaring, Goed aflopen, Jeugdliteratuur, Perspektief, Rousseau, Toon en Uitleggen aan de orde. Onder het kopje Jeugdliteratuur staat bijvoorbeeld het volgende:

“Geachte schrijver voor volwassenen, ik werk al jaren met volwassenen en ik zeg u, de meeste volwassenen begrijpen geen snars van al die boeken die bekroond worden als literatuur. Een minderheid leest die, de meesten kiezen boeken die nooit worden bekroond door al die zogenaamd deskundige jury's.”

Het is een omkering van een verwijt dat bijna uitsluitend aan bekroonde en beprijsde kinderboekenschrijvers wordt gemaakt: dat hun boeken te literair zijn voor "kinderen'. Dat "kinderen' er niets aan vinden. Dat is ongetwijfeld waar, maar de meest gelezen volwassenenboeken worden ook niet bekroond door literaire jury's. De meerderheid van de lezers, of dat nu volwassen lezers zijn of kinderen, heeft het graag eenvoudig en spannend en heeft weinig oog voor literaire kwaliteiten. “Ik denk dat er heel wat meer volwassenen een boekje in de supermarkt kopen dan dat ze Gerrit Krol aanschaffen, maar dat doet niets af aan de literaire waarde van Gerrit Krol,” zei Van Leeuwen eens. Zo is het, en daarmee is dat punt eigenlijk van tafel geveegd. Gepraat over wat kinderen aan kunnen en willen heeft geen zin, kinderen zijn onderling net zo verschillend als volwassenen en bovendien kan geen volwassene voor een kind spreken, hoe graag sommigen dat ook zouden willen.

Wie onverschillig voor deze kwestie, zorgeloos aan de boeken van Van Leeuwen begint, ziet een opmerkelijk, geestig en rijk oeuvre. De hoofdpersoon is meestal een meisje en eigenlijk altijd een beetje een eenzaam figuurtje. Onveranderlijk wordt er een tocht of een reis ondernomen, een vertrek uit de vertrouwde omgeving. Die reis is eigenlijk altijd een leerzame, men leert er iets uit over het leven zelf, de reis is in zekere zin het leven zelf. Daarmee plaatst Van Leeuwen zich in een lange literaire traditie, die van de Odyssee en de Graalridders, van Gulliver en Alice in Wonderland. Zij doet dat op een verrukkelijk luchtige manier. In haar laatste boek Het weer en de tijd, geschreven als geschenk voor de Kinderboekenweek, wint de arme Max die nooit iets wint eindelijk een keer een prijs: een weekend in een huisje. In dat huisje maakt hij kennis met wat later de geest van een vermoord meisje blijkt te zijn, bovendien raakt hij zijn geliefde wandelende takken kwijt. Het is griezelig en beklemmend en verwarrend: waarom moet Max in hemelsnaam een ontmoeting met een geest winnen? Waarom moeten die twee takken zoek raken? Heeft hij iets geleerd? Wat dan? Tegelijkertijd is het ook opluchtend komisch en vrolijk, vooral als Max zich zorgen maakt over de toekomst, want Joke van Leeuwen is wel de meester van de grappige bezorgdheid. Hier gaat het om Max' vader die voor zijn werk overgeplaatst gaat worden, met zijn gezin: “Vaak gaat dat goed maar er zijn ook overplaatsingen bekend die helemaal mislukten.”

hier graag weer een plaatje! nr. 2

Aan het eind van de reis is men zelden gelukkiger dan aan het begin, al is de kennis toegenomen. Ongeveer zoals men van zijn jeugd niet gelukkiger wordt maar wel ervarener. Het duidelijkst is dat in Wijd weg (1991), een roman die vrij ondubbelzinnig een initiatierite beschrijft. De droomachtige belevenissen in een wereld met een andere logica dan de gangbare doen enigszins aan de romans van Willem Brakman denken, waar mensen ook ineens in een omgeving vol glurende oogjes en geheimzinnige stemmen kunnen belanden. Het verhaal wordt verteld door een zeer oude vrouw die langzaam en zacht spreekt, "alsof ze zuinig was op haar adem'. Ze vertelt hoe een twaalfjarige de nacht voor ze als dienstmeisje uit werken moet gaan van huis gehaald wordt door een geheimzinnige dame in een rijtuig. Ze wordt ergens uit het voertuig gezet met de opdracht om de morgen te halen. Tegelijkertijd moet ze "stempels' verzamelen. In die nacht ontmoet ze op allerlei plaatsen vier mannen die steeds weer doen alsof ze haar niet kennen: “Ssssssj, fluisterde de eerste, wij kennen je niet, jij kent ons niet, dat is maar het beste.” Ze krijgt van een jongen heel prettige natte warme stempels op haar buik, maar de gedachten van de jongen blijken veel kouder dan zijn stempels. De geheimzinnige dame wringt en knijpt haar arm heel gemeen en zegt: “Ga eerst maar eens de erge dingen van de echte wereld leren, (-) anders kunnen we niets met je beginnen.”

Wijd weg is gebaseerd op verhalen die de schrijfster van haar eigen grootmoeder hoorde, en op wat ze las over initiatierites bij natuurvolken, waarin ook elementen voorkomen die zij in haar boek verwerkte, zoals water en vuur en pijn en donker. De tekeningen zijn in dit boek spaarzamer dan in eerder werk. Aan het begin wordt een eigenaardige verzameling rotzooitjes getoond, zoals een dood insektje:

tekeningetje nr. 3

of een kersepit

tekeningetje nr. 4

die later stuk voor stuk terug komen en dan een bedoeling hebben - een beetje zoals dat in sprookjes toe gaat, waarin jonge prinsen drie voorwerpen met een speciaal vermogen mee krijgen van een tovenares die allang weet dat ze daar plezier van gaan hebben.

Het boek werd in de kritiek "moeilijk' genoemd, wat Joke van Leeuwen zelf betuttelend vindt. Wie zo oordeelt, denkt voor de lezers, zoals de sterke altijd meent te weten wat goed is voor de zwakkere. Ze schrijft niet voor een bepaald publiek op een vaststaand niveau. Onder het kopje "Doelgroep' staat in haar "Abecedarium':

“Het nieuws, dokumentaires over Aardrijkskunde of Wetenschappen. Ik vind het interessant. Tekenfilms en andere zaken voor kinderen vind ik tijd- en geldverspilling. In die tijd kan ik veel nuttigere dingen doen! Ilja, 10 jaar.”

Aan het eind van de reis is de hoofdpersoon altijd aangekomen, ervarener dan bij vertrek, en er zijn allerlei elementen uit het boek bij elkaar gekomen zodat het verhaal "rond' is; maar niet alles is in orde gekomen. In Dit boek heet anders (1992), waar de reis een schoolreisje is van drie kinderen met een wat treurige en verwarde man, komt tegen het einde het volgende dialoogje voor:

“"Ik wou dat alles altijd overal goed af kon lopen,” zei ze opeens, "zoals in boeken.'

"Joh, er zijn een heleboel boeken die niet goed aflopen hoor,' zei Diddie.

"Dat vind ik dan raar,' zei Wammie, "iemand die een boek schrijft kan toch zorgen dat het goed afloopt?' ''

De schrijfster maakt een grapje met zichzelf als besturende instantie, maar ook met een bepaalde kinderboekenopvatting die wil dat alles mag in kinderboeken, maar slecht aflopen niet. In het Jeugdliteratuurnummer van het tijdschrift Raster schreef Sjoerd Kuyper dat hij geen onderscheid wilde maken tussen kinderboeken en volwassenen boeken, alleen maar tussen goede en slechte boeken. Hij gaat nooit zitten met het idee: kom ik schrijf eens wat voor kinderen. Al schrijvend komt hij erachter vanaf welke leeftijd zijn boek te bevatten zal zijn en daar houdt hij dan in de afwerking rekening mee: “Ik hanteer eigenlijk maar één criterium: als een verhaal slecht afloopt is het uitsluitend voor volwassenen, als het goed afloopt is het ook voor kinderen.” Daarin staat hij beslist niet alleen.

Joke van Leeuwen denkt er zo niet over, zij vindt een dergelijke opvatting zelfs nogal onmogelijk. Een einde kun je niet zo maar verzinnnen, een einde dient zich aan. Natuurlijk zou het voor Bobbel uit het boek Het verhaal van Bobbel die in een bakfiets woonde en rijk wilde worden (1987) prettiger geweest zijn als ze aan het eind ook werkelijk rijk zou zijn geworden. Maar zo ging het verhaal nu eenmaal niet. Wie de wereld lief en zacht en ideaal wil voorstellen schrijft geen boeken maar pamfletten. Die wil opvoeden en beschermen en kinderen apart houden in een eigen warme wollige wereld. Die denkt dat een kind tot een goed mens uitgroeit als het maar de juiste boeken leest. Dat zijn allemaal dingen die Joke van Leeuwen helemaal niet wil en denkt.

We weten allemaal dat niemand een beter mens wordt van literatuur of van kunst, hoe onbegrijpelijk dat soms ook is. De ergste misdadigers zijn in staat te huilen bij Mozart, dichters die de ontroerendste regels schrijven, blijken in hun dagelijks leven onsmakelijk en wreed. Ook Joke van Leeuwens boeken zullen een rotkind niet in een lieverdje veranderen, maar een beetje een taalgevoeliger iemand zou men toch misschien wel van haar boeken kunnen worden. Iemand met een oog voor rare woorden. Iemand die plezier heeft in een zin als: “Toen de kinderen groot genoeg waren om naar school te gaan, vond Lara dat ze nog niet groot genoeg waren.” Of in de zo vaak herhaalde woorden stoel (stoelstoelstoel stoelstloelstoelstoelstoelstoelstoelst), kleedje en nacht dat ze veranderen in respectievelijk oelst, tjuklee en gnah. Later treden die woorden dan weer in een strip op waarin een stoel juichend tjuklee maakt van een andere stoel.

hier een plaatje uit die strip nr. 5

In de wereld van Joke van Leeuwen gaan woorden hun eigen leven leiden omdat zij ze bevrijdt uit hun dagelijkse jasjes. Niet alleen haar hoofdpersonen maar ook de taal gaat op reis en komt een beetje door elkaar geschud bij het einde aan. Zo blijven zowel de woorden als de mensen in beweging, en dat is precies wat de schrijfster wil. Haar oeuvre is een strijd tegen verstarring en cynisme en elk boek weer wint de nieuwsgierige, expres onbevangen blik.

    • Marjoleine de Vos