"Besluit Tilburg zet premie op acties van de buurt'

ROTTERDAM, 8 OKT. In Tilburg is deze week een nieuwe variant van woningtoewijzing uitgeprobeerd. Enkele bewoners uit de buurt kalkten agressieve leuzen op een leegstaand pand en, zie, de woningbouwvereniging besloot het Antilliaanse gezin, dat erin zou trekken, naar een andere woning te verwijzen.

Directeur J. Scholten van de Vereniging Volkshuisvesting Tilburg verwees gisteren in deze krant naar de "tolerantiedrempel': het kritieke moment waarop bewoners denken "there goes the neighbourhood' en vervolgens actie ondernemen om het tij te keren. Als het zover is, plaatst Scholten geen aanstootgevende huurders meer in die buurt. Dan zoekt hij voor hen elders in de stad een woning.

Scholten bepleitte beleid voor deze kwestie: spreidingsbeleid, zodat de corporaties naar eigen inzicht een wijk kunnen indelen. “Wij worden geconfronteerd met een groot en complex maatschappelijk probleem.” Tilburg is niet de enige stad waar bewoners de toevoer van migranten willen stuiten. Een paar maanden geleden nog weigerde een huiseigenaar in Barneveld haar huis te verkopen aan een Turks gezin, omdat het Turks was.

Maar spreidingsbeleid en de daarbij behorende tolerantiedrempel zijn taboe bij het kabinet. Staatssecretaris Heerma van volkshuisvesting schreef de Tweede Kamer enkele weken geleden: “Verhuurders bepalen op deze manier subjectief en willekeurig de opbouw van een wijk.” En daarvan worden, voegde hij eraan toe, de minderheden altijd de dupe.

Met zijn spreidingsbeleid, zo zei Scholten gisteren, wil hij buitenlanders “beschermen voor uitbarstingen van buurtbewoners.” En zijn beslissing om het Antilliaanse gezin elders te plaatsen noemt hij noodzakelijk om de "racistische tendensen' in zo'n buurt tegen te gaan. Maar met dergelijke beslissingen, zegt prof.dr. J.M.M. van Amersfoort, sociaal geograaf aan de Universiteit van Amsterdam, “zet je juist een premie op dergelijke acties van de buurt”. Van Amersfoort heeft niet altijd goede ervaringen met woningcorporaties. “Ze willen doen aan "conflictbeheersing'. Maar als je categorieën gaat uitsluiten, maak je een blok in de wachtlijsten.”

Nu had Scholten in zijn eigen huizenvoorraad (8.500 woningen) nog een huis vrij voor de verdreven Antillianen. Dat lukt niet altijd, en dan staat spreiding op gespannen voet met toewijzing. Uit een recent rapport van het Sociaal en Cultureel Planbureau blijkt, dat “de ongunstiger resultaten van de minderheden (bij de woningtoewijzing, red.) te maken hebben met verschillende vormen van spreidings- of (de)concentratiebeleid van verhuurders. Dat zijn in veel gevallen woningcorporaties. Verhuurders hanteren niet zelden maxima voor allochtone huishoudens, soms per buurt, soms per complex of per portiek. Dit leidt ertoe dat in bepaalde gevallen vrijkomende woningen niet worden toegewezen aan het meest in aanmerking komende allochtone huishouden.”

Het onderzoek heeft dan uitgewezen dat “woningzoekenden en minderheden bijna overal langer op een woning wachten dan woningzoekenden uit de overige bevolking.” Al tekenen de onderzoekers daarbij aan dat de kansen voor minderheden op een woning over het geheel genomen niet “duidelijk geringer zijn dan de kansen van autochtone woningzoekenden”.

Scholten is een van de weinige verhuurders die openlijk uitkomt voor het spreidingsbeleid van zijn corporatie. In Rotterdam mag, aldus een woordvoerder van de gemeente, het woord niet meer worden uitgesproken. Het ministerie van binnenlandse zaken vocht in 1972 voor de Raad van State met succes de invoering van een tolerantiedrempel door de gemeente Rotterdam aan. De stad stelde dat zij per buurt niet meer dan vijf procent migranten kon verwerken, mede onder druk van bewoners in Rotterdam-zuid die in opstand waren gekomen tegen een snelle instroom van vooral Turken. “Het gaat om het tempo”, zegt drs. W.J. Tuijnman, de coördinator voor het migrantenbeleid in Rotterdam.

Nu woont er in de hele stad gemiddeld zo'n 22, 23 procent allochtonen. “In die buurten van toen zijn de concentraties nog hoger.” De schatting van vijf procent was "naiëf'. Maar het verschil tussen toen en nu zit 'm in het tempo, herhaalt Tuijnman, en in de begeleiding van de gemeente. Als een buurt in hoog tempo "verkleurt', veroorzaakt dat onrust onder de bewoners. “In Vreewijk loopt op dit moment een voorbereidingscampagne, om de buurtbewoners van tevoren op de hoogte te stellen van de mogelijke verschillen tussen hen en de toekomstige bewoners, voorzover dat allochtonen zijn.” Hij heeft de indruk dat de gemeente Tilburg in gebreke is gebleven in de voorbereiding van de Veestraat.

Directeur N. van Velzen van de Nationale Woningraad wil over het geval in Tilburg niet oordelen. Maar zulke excessen wijt hij aan de politiek. Heerma's categorische afwijzing van een spreidingsbeleid vindt hij onbegrijpelijk en hypocriet. “We spreiden iedere dag. Niet alleen in de toewijzing, ook in de aanbouw. Elke bejaardenwoning die wordt gebouwd, elke HAT-eenheid, die mag toch alleen door een bepaalde categorie huurders worden betrokken. Als je in de politiek nooit het debat mag voeren over hoe je mensen met specifieke kenmerken kans wilt laten maken op een woning, dan krijg je - laat ik het maar neutraal zeggen - verrassingen als in Tilburg.”