Bekkenrispingen en buikkantelingen; Michael Jackson en Jozef van den Berg in opspraak

Het toeval wilde dat kort na elkaar twee Helden van de Jeugd, althans van de kinderen die ik opvoed, in opspraak kwamen. Eerst Michael Jackson, want hij zou het gedaan hebben met een leeftijdgenootje van mijn kinderen, en daarna Jozef van den Berg, die met optreden opgehouden blijkt te zijn om godsdienstige redenen.

Beide gevallen hebben hoogstwaarschijnlijk weinig met elkaar te maken. Ze lijken zelfs elkaars tegendeel te zijn.

Michael Jackson was de held van de onaanraakbaarheid. Alles aan hem streefde er naar niet van deze aarde te zijn. Hij verborg zijn lichaam in zijn onnavolgbare bewegingen en zijn emoties achter zijn pigment-arme huid. En hoe seksueel die bewegingen er ook uit zagen, ze wekten altijd de indruk onschuldig te zijn, of misschien moet ik zeggen: ongerept. Ze waren uitdagend, maar niet "wetend'. Zoals hij met twee handen, tijdens een razendsnelle kanteling van zijn bekken, zijn rinkelende leren broek opschudde als Viel er Heel Wat Op te Schudden, dat was dus op een of andere manier niet zo bedoeld.

De beweging werd, zoals bekend, overgenomen door continenten vol acht- tot dertienjarige jongens, zonen van onberispelijke vaders, kostwinners zelfs, en we begrepen: het is allemaal "zo' niet bedoeld. Dat we dit zeker wisten, dat kwam door de verpletterende ernst waarmee de kinderen de gebarentaal van Jackson gingen nabootsen. De urenlange bestudering (met behulp van stopknop en slow-motion) en vervolgens instudering van de ingewikkelde reeksen bekkenrispingen, buikkantelingen en zelfbetastingen werd zo naarstig ter hand genomen dat het eigenlijk allemaal nog het meest op doktertje spelen leek.

Het resultaat van die ernstige imitatie-ijver was dat Michael Jackson, telkens wanneer je weer een clip van hem zag, steeds acht- tot dertienjariger werd. Hij noemde zijn laatste cd "Dangerous', maar er was niet veel opruiends aan af te horen, en wat belangrijker was: in de vloed van clips die over ons werd uitgestort, was Jacksons erotiek passief. Narcistisch. Lijdzaam. Niet een verleider, laat staan een lokker; niet iemand die met eigen ogen ooit een ander zou opmerken - meer iemand die bijna blind is, en die bij de hand genomen moet worden en heel voorzichtig ingewijd. Ik zou overigens liegen als ik deze fragiele, eierschaal-achtige uitwerking, die ook door de kinderen werd aangevoeld, zou afdoen als "onerotisch'. Michael Jackson roerde beslist een snaar die ergens tijdens het laatste lagere en het eerste middelbare schooljaar tot trilling wordt gebracht, en die van "jongens onder elkaar' is.

Dat Jackson nu door een leeftijdgenoot van mijn kinderen voor de rechter wordt gedaagd, zou ons bescheiden moeten stemmen. Jarenlang hebben we in Jacksons acht- tot dertienjarigheid geloofd omdat die zo wonderwel leek te passen bij de seksuele amorfiteit van onze eigen kinderen; omdat er iets toelaatbaar seksueels mee tot uitdrukking werd gebracht, iets wat au fond nauwelijks benoembaar of erkenbaar is en dat om zo te zeggen een kunstenaar nodig heeft, iemand die toespelingen kan maken, om het tot uitdrukking te brengen - en nu blijkt deze vormgever van de "nog ongevormde seksualiteit' ineens iemand die heuse handen heeft die hij niet thuis heeft kunnen houden...

Het zal nog niet makkelijk zijn - maar als dat proces voluit en hardop gevoerd gaat worden, dan is de gewichtigste vraag niet: wat heeft Jackson uitgespookt, maar: wat was ons eigen, al dan niet vaderlijke belang bij de seksuele verschoning van deze vreemde, schuwe man?

Fietsenhok

De kwestie van de andere held, Jozef van den Berg, is schijnbaar tegenovergesteld. Hij is de grootste poppenspeler en kindertheatermaker van zijn tijd, wat onder meer betekent dat hij de generatie van mijn kinderen een eerste ervaring van theater heeft bezorgd. Afgelopen zondagen heeft de VPRO registraties van zijn voorstellingen uitgezonden. En vorige week werd hij in deze krant geïnterviewd door Arjen Schreuder, en werd ons verteld waarom hij al zo lang niet meer in het theater te zien is geweest: hij is een heuse kluizenaar geworden. Hij leeft van aalmoezen. Hij bewoont een fietsenhok op een parkeerterrein ergens in de Betuwe. Het schijnt dat hij dat hok nu uit moet. Dit is vreemd, want in andere gemeentes krijgen daklozen juist gratis en voor niks kartonnen dozen, opdat zij, wanneer ze bevriezen, opgeruimd en netjes zijn.

Als toneelmaker beschikte Van den Berg over een ongeëvenaarde gave. Hij kon zijn publiek zo bij zijn personages betrekken, dat het eigenhandig de beslissingen nam die nodig waren om met het drama verder te gaan. Van den Berg speelde altijd alleen, en werd vergezeld door een paar summiere poppen die hij zelf leven in moest blazen. Toch nodigde hij voortdurend kinderen uit op het toneel, en die moesten dan handelingen verrichten die nodig waren voor de verhaalvoortgang. Ook deze kinderen werden, zonder dat ze "speelden' personages waar wij in de zaal ons weer in konden inleven. Er ontstond een soort dramaturgische voedselketen - een drama dat alleen kon bestaan omdat wij wilden dat het bestond.

Van den Berg liet de kinderen niet alleen geloven in wat hij verbeeldde, maar hij liet ze tegelijkertijd ook zien waar ze in geloofden. Bijvoorbeeld in het fameuze endje geribbelde olieslang waar hij een rups van maakte die praten kon, en ook wel denken. Op een onnavolgbare manier maakte hij duidelijk dat als we niet in dit endje olieslang geloofden, alles in duigen zou vallen - het verhaal, de middag, de wereld. Samen met Anton Koolhaas, die een denkbeeldig dier de liefde kon laten bedrijven met een schoenzool, was Van den Berg de grootste make-believer denkbaar.

En nu is de magiër-zonder-toverspreuk-of-poespas, die nooit van je vergde dat je ergens anders in zou geloven dan in het geloven zelf, dan dus kluizenaar geworden, en wacht hij op het ogenblik waarop de gemeente besluit "Gods fietsenhok', zoals hij het zelf noemt, te ontruimen. Een grote klus zal dat niet zijn. Van den Berg trad altijd al op met niet meer spullen dan er in een stevige hutkoffer konden. De schoonmaakactie zal tot diepe tevredenheid leiden ten burele van de Dienst Kluizenaars en Roependen in de Woestijn.

Maar wat ruimen we er precies mee op?

Er zit een krachtige, maar ook tragische logica in de gedaanteverandering van Jozef van den Berg. Wat hij van ons vergde, wanneer hij ons een endje geribbelde olieslang liet zien, dat vergt hij nu van de wereld ten aanzien van hem in z'n geheel: hij tart zijn geloofwaardigheid. Vroeger legde hij zijn leven in handen van een zaal vol kinderen; nu in die van passanten en gemeente-ambtenaren. Het verschil met vroeger is dat hij, voor het geloof dat hij ons nu wil laten opbrengen, niet kan beschikken over een toneel, toneellicht, tovenarij. We moeten het doen met wie hij is zoals hij is.

Uit het interview kwam hij tevoorschijn als iemand die totaal geen zieltjeswinner is, geen verleider. Toch voel je je ongemakkelijk - er wordt door deze wonderlijke man iets op de proef gesteld.

    • Willem Jan Otten