Arm Albanië privatiseert met succes

Er komt steeds meer belangstelling voor Albanië, het superarme bergstaatje aan de Oostkust van de Adriatische Zee. Het is moeilijk een objectief oordeel te geven over de wijze waarop de huidige regering van Albanië met de kwalijke erfenis van Hoxha en zijn opvolgers tracht om te gaan. Ook Paul Scheffer geeft een vertekend beeld van het land in zijn column (NRC Handelsblad, 20 september). En dat het land, blijkens de titel van zijn stuk stil zou liggen, is gewoon onzin.

De bevrijding van het communistische schrikbewind was niet alleen de laatste omwenteling in de rij van ex-communistische landen, het ging was ook de radicaalste. Dat valt het meest op in de agrarische sector. Bij mijn weten is nergens in Midden- en Oost-Europa de privatisering van de landbouwgrond zo snel uitgevoerd als in Albanië. Negentig procent van de grond is nu, amper anderhalf jaar na de definitieve politieke omslag, in handen van individuele boeren.

Volgens de regerende Democratische Partij kon die krachttoer alleen worden uitgevoerd, omdat men lering kon trekken uit de fouten van de andere ex-communistische landen. Die probeerden bijna zonder uitzondering, de grond terug te geven aan de eigenaars van vijftig jaar geleden of hun erfgenamen. Dat was, en is nog steeds, een moeizaam proces. Kavels zijn veranderd, boerenhuizen zijn gebouwd of afgebroken, voormalige eigenaars zijn naar de stad getrokken en willen of kunnen niet meer boeren, emigranten willen hun grond terug: een mijnenveld van problemen. Daardoor wijzer geworden deed men het in Albanië anders.

Elke landbouwer kreeg drie hectare vruchtbare grond, of zijn familie nu voor 1945 grondeigenaar was of niet. De voormalige eigenaars werden met staatobligaties min of meer schadeloos gesteld. Met gebouwen gebeurt in wezen hetzelfde. Een ieder kan het huis waarin hij woont, voor ƒ 450 kopen: een fractie van de werkelijke waarde. Bedrijfsruimte wordt door een regeringsinstantie bij opbod verkocht. Zo wordt leegstand van woningen voorkomen en onnodig opsplitsen van bijvoorbeeld voormalige staatswinkels tegen gegaan.

Het is waarschijnlijk vooral te danken aan dit ongecompliceerde privatiseringsbeleid, dat het nationaal produkt sinds een jaar niet meer daalt en de agrarische produktie zelfs met twintig procent is gestegen. Maar het dal waaruit men omhoog klimt is zeer diep. Het gemiddelde jaarlijkse inkomen per hoofd wordt op ƒ 1100 geschat en dat is verreweg het laagst van geheel Europa, ook als men het lagere prijspeil verdisconteert. Het is er zelfs lager dan in menig Afrikaans ontwikkelingsland.

Ondanks de toenemende eigen produktie blijft internationale voedselhulp onontbeerlijk om te kunnen overleven, zij het in steeds mindere mate. Deze buitenlandse hulp is voor de Albanese bevolking niet kosteloos. Het ingevoerde voedsel wordt van overheidswege verkocht en de opbrengst komt in de staatskas. Geteld bij het geld, dat uit de verkoop van staatswinkels en kleine bedrijven binnenkomt, beschikt de regering zodoende over aanzienlijke bedragen. Vanzelfsprekend is ook in Albanië de verleiding groot om dit geld direct of indirect weer in circulatie te brengen.

Zoals we weten zijn vele regeringen in ex-communistische landen aan deze verleiding bezweken; met veelal torenhoge inflatie als gevolg. Ook daaruit blijkt de Albanese regering lering te hebben getrokken. Dankzij het "terugploegen' van de ontvangsten uit voedselverkoop en privatisering is het financieringstekort nu tot circa 20 procent teruggebracht. De inflatie daalde van driehonderd procent een jaar geleden tot 25 procent nu. Er zijn weinig voormalig communistische landen, die kunnen bogen op een dergelijke prestatie.

Het gaat in Albanië allemaal heel snel. De eerste miljonair (in dollars) is gesignaleerd. De brede boulevards in Tirana, tot voor kort het exclusief domein van regeringsdignitarissen - particulier autobezit was verboden - lopen vol met toeterende, in West-Europa afgekeurde auto's. De straathandel bloeit met duizend pakjes Marlboro. Deze ontwikkeling komt nu in een nieuwe fase. Men moet zich nu van de knellende band van een volstrekt ontoereikende infrastructuur en een hopeloos verouderd produktie-apparaat bevrijden. Grootscheepse hulp uit het buitenland is daarvoor een conditio sine qua non. Gelukkig zien de landen en de organisaties van de groep van 24 dat in toenemende mate in. De hulp voor investeringen in landbouw, industrie, transport, telecommunicatie en energievoorziening stijgt gestaag.

Naast de internationale organisaties verschaffen vooral Italië, Duitsland, de VS, Koeweit, Griekenland (!) en Zwitserland - in deze volgorde - hulp. De Nederlandse bilaterale hulp bedraagt minder dan 1 procent van het totaal en bestaat tot nu toe grotendeels uit voedselhulp. Als men geen rekening houdt met de hulp via de Europese Gemeenschap draagt zelfs Oostenrijk meer bij dan Nederland.

Het wordt tijd, dat de Nederlandse regering meer investeringsgeld aan Albanië gaat besteden. Om er ook toe bij te dragen, dat het land juist niet stil komt te staan.

    • Kees Zijlstra