Aart Staartjes over kindertelevisie; Een ettertje lukt het best

“We kunnen afgeven op de televisie, maar zonder was ook niet alles. We verveelden ons,” zegt Aart Staartjes, maker van en acteur in beroemde programma's als de Stratemakeropzee Show, Sesamstraat en het Klokhuis. “Wij gingen ervanuit dat grote mensen in kinderogen totale krankzinnigen zijn en dat begrippen als lui en leugenachtig voor kinderen iets heel anders inhouden.”

Wie Sesamstraat wel eens ziet, kent het landschap: leeg en wijd en vlak, groen en zilver. Kijk bij Aart Staartjes uit het raam en je ziet de omgeving waarin Meneer Aart van Sesamstraat nu en dan een uitstapje maakt. In een bootje, op een weiland, langs een klinkerpad van een Noordhollands dorp, en altijd op zoek naar onderwerpen die hij kan vastleggen met zijn blikkleurige camera. Na het klak van de sluiter zegt Meneer Aart “Mooi”. Nooit teder of geroerd, maar beslist, of hij een gedragsregel uitvaardigt.

“Mooi hè” zegt Aart Staartjes. “Zo zag het er honderd jaar geleden ook uit.” We zitten aan tafel, kijken uit over gras en plas en volgen twee futen en hun dansershalzen. Straks zullen we praten over kindertelevisie en over wat Staartjes daar in ruim twintig jaar aan toe wist te voegen, in De Stratemakeropzee Show, in De film van Ome Willem, in J.J. De Bom, v/h de Kindervriend. Maar nu nog niet: “Even de dominee wegkauwen,” zegt hij. Onder de kapstok liep ik op tegen de dominee van het dorp. Staartjes liet hem uit na een bezoek dat aanvankelijk een kennismakingsvisite leek, maar “uiteindelijk wilde hij ons toch de kerk inpraten.” Niet dat Staartjes niet van dominee's houdt. Hij kan genietend vertellen over Zeeuwse predikanten die "voor de zak' preekten: hoe meer ze de gemeente lieten huiveren voor hel en vloek, des te vrijgeviger stortten de hereboeren hun briefjes van honderd in de kerkezak waar dominee's salaris in werd vergaard. Maar de dominee die beweert dat van de kansel spreken ook een soort acteren is, vertrouwt hij niet.

Zowel Klokhuis als Sesamstraat, twee dagelijks uitgezonden programma's waar Staartjes tot voor kort eindredacteur van was, zijn voorgedragen om tijdens het kinderfilmfestival Cinekid (in de Amsterdamse Meervaart, 20 t/m 27 oktober) met de "Kleine Kinderkastprijs' te worden bekroond. Het is een publieksprijs, kinderen wordt gevraagd hun stem uit te brengen. Staartjes hecht er weinig waarde aan: “Ik heb het niet op jurerende kinderen. Je gaat een kind toch ook niet vragen naar het lekkerste eten? Dan kiest hij Snackbar Rob. Het BRT-peuterprogramma Tik Tak heeft nog nooit een prijs gekregen, hoe meesterlijk dat ook ingaat op wat de allerkleinste kinderen mooi vinden - vorm en kleur.”

Interesseert het u wel of kinderen van uw programma's houden?

“Karel Eykman heeft eens gezegd: "Ik hoop dat ze het mooi vinden, maar ik vraag het me niet af'. Dat geldt ook voor mij. Ik ben blij met succes, maar het kan me geen barst schelen wat ze ervan denken. Ik heb mislukkingen op mijn naam staan die ik zelf prachtig vond. Het programma TL bijvoorbeeld. Dat begon met natuurkundeproefjes die consequent misliepen en daarna was er een zogenaamd forum dat zich boog over vragen als Waarom Staat een Reiger op Eén Poot. Het sprak niet aan en het bestuur van de NOS vond het niet educatief genoeg.”

Meermalen ondervond Staartjes hoe kinderprogramma's uitgeleverd zijn aan de mode-golven die woeden in wetenschap en onderwijs. Vooral in 1989 kreeg hij het zwaar te verduren: “Sesamstraat moest een leerprogramma zijn, anders heeft Sesamstraat geen reden van bestaan, zei Dolph Kohnstam, de Leidse hoogleraar in de ontwikkelingspsychologie. Of we kregen te horen dat het lezen moest worden bevorderd, vandaar dat we nu nog steeds elke aflevering besluiten met voorlezen. Maar stimuleert dat werkelijk tot voorlezen? Of denken die vaders en moeders, dat is in Sesamstraat al gebeurd, Ik hoef niet meer?

“Ook kregen we de opdracht om de taalachterstand van allochtone kinderen bij te spijkeren. Leer kinderen via de tv duizend woorden en het ABC en dan zijn ze geletterd, had de wetenschap bedacht. Maar het Turkse kind dat het woord kopje heeft geleerd, weet nog niks en als Henkie uit Broek in Waterland voor de zoveelste keer dat kopje ziet, denkt hij, wat is dit voor een debielenprogramma. En toen we het allemaal op de rails hadden, kwam er een nieuwe mode in de kinderpsychologie, met hele nieuwe gedachten. Allochtone kinderen moest eerst de eigen taal worden onderwezen en pas daarna de tweede taal. Uit die telkens nieuwe inzichten blijkt maar één ding: de wetenschappers weten het niet echt.”

Bij Klokhuis ligt dat veel gemakkelijker, beaamt Staartjes. Dat is voor oudere kinderen bedoeld en het combineert liedjes en scènetjes onverbloemd educatief aan een uitstapje, naar een melkfabriek, naar een beeldhouwer, naar een zonnebloemenkweker. “Ik ben een schoolmeester” gnuift Staartjes tevreden, “Ik geef graag gestalte aan betweters. Ik ben een sluiswachter, of een politieagent, of een nukkige ouwe vrouw. In de De Stratemakeropzee Show was ik de Stratemaker die heel belangrijk deed, in J.J. de Bom was ik de gezagsgetrouwe postbode en in Sesamstraat ben ik meneer Aart. Dat is een heerlijke figuur, een karikatuur van mezelf. Hij gaat heel ver. Hij moest pas een inleiding uitspreken voor de Onderwijsdagen. Daar is hij weer verschrikkelijk tekeer gegaan.” Staartjes laat zijn schouders afhangen, blikt bozig om zich heen en steekt van wal zoals alleen Meneer Aart dat kan. Over kinderen die op de lagere school leren om kritisch tegenover de autoriteiten te staan - “zijn jullie nu helemaal krankzinnig geworden?” Over de vloek van het vrij tekenen, waar hij zijn leven lang voordeel heeft gehad van de "ontmoedigingsproeven' die hem leerden dat hij niet in staat was om een boerenmetworst adequaat na te tekenen. “En de helft van dat gekanker meen ik,” voegt hij glunderend toe.

Meneer Aart bestaat nu een jaar of tien en werd uit nood geboren. Staartjes vervulde bij gebrek aan een figurant de rol van een dwarse man die de weg kwam vragen. “Ik zag mijn kans schoon om een rechtse gewichtigdoener te spelen, iemand die erger was dan Van Riel. In het NOS-kostuummagazijn vond ik precies het buikende pak dat ik me had voorgesteld. Nog bruin ook. Ik perfectioneerde het met een rij pennen in de borstzak en een koninklijke onderscheiding op het rever. Achter de Noordermarkt in Amsterdam vond ik die fantastische bril.”

Destijds was de anti-autoritaire opvoeding nog lang niet van de baan en bij de NOS werd serieus gevreesd dat Meneer Aart de kinderen angst zou inboezemen. Maar Staartjes ondervond op scholen hoe vertrouwelijk kleuters met Meneer Aart omgaan. “Ik kan rustig zeggen: ga wèg! Dat maakt ze niets uit.”

Wat voor vader was u eigenlijk?

“Ik ben een autoritaire vader geweest voor mijn zoons. Zelf ben ik opgegroeid in de traditie dat wat je vader zei niet werd bediscussieerd. Leren deed je door te luisteren, ook nog na de toneelschool, in het theater.”

Staartjes debuteerde op 19 september 1961 bij de Arnhemse groep Theater, in het stuk Meneer Topaze van Marcel Pagnol. “Ik had zes zinnen. Ik was een verkouden jongen met een sjaal en ik moest dus af en toe mijn neus ophalen. Guus Verstraete zei, je snift op het verkeerde moment. Je moet wachten op de kleine pauzetjes die Hans Tiemeyer na elke zin neemt. Ik volgde die raad op en kreeg meteen een lach uit de zaal. Tiemeyer nam me direct daarna apart. Hij zei, dat moet jij niet meer doen. Toen wist ik dat het goed zat. Pas later kwam het hoe en waarom. Ik heb zelf ook sterk de neiging om zonder commentaar door te geven wat ik weet. Vraagt er iemand "waarom?' dan weet ik meestal maar één antwoord: omdat ik het zeg.”

Staartjes werd in 1938 geboren in Nieuwendam, een wijk in Amsterdam-Noord. Zijn vader hield zielsveel van de muziek van Beethoven ("zoveel dat ik er een hekel aan kreeg'), maar aan kindercultuur werden er bij hem thuis geen gedachten besteed: “Mijn vader was timmerman. Hij werkte, met mijn grootvader en mijn oom Dick, in de loods achter ons huis. Tijdens de oorlog maakten ze kinderledikantjes en klompen en ik speelde tussen de krullen. Pas toen ik vijftien was kregen we televisie.”

Was de komst van de televisie wel zo'n verrijking?

“Ik vind van wel. We kunnen afgeven op de televisie, maar zonder was ook niet alles. Voor mij was het een grote omslag. Ik heb het opgeslorpt. Ik was geen leeskind, voor mij was er tot dan toe heel weinig. "Spelletjes', wordt er dan geroepen, en "gezelligheid'. Hou toch op. Vroeger verveelden we ons en treiterden we elkaar gek. De meesten gingen uit arren moede vroeg naar bed.”

Nu zitten er kinderen met kringen onder hun ogen in het klaslokaal. Ze kijken zich suf naar de televisie.

“Ik weet het, maar dat ligt aan de ouders. Die moeten de televisie uitzetten, maar veel kinderen worden tegenwoordig niet meer naar bed gestuurd, want van een kind dat voor de televisie hangt merk je weinig. Vroeger lagen de gezagsverhoudingen anders: kop dicht, naar bed. Niet om ze voldoende slaap te bezorgen, maar om ze van de vloer te werken.”

Hoewel achterbuurjongen Eric Herfst "van de AJC' was en Aart Staartjes "van de padvinders', vroeg Herfst Staartjes toch mee naar de les die pantomimespeler Jan Bronk gaf aan AJC-kinderen ten behoeve van een uitvoering. Jan Bronk demonstreerde hoe je pas op de plaats moest lopen. Staartjes keek, deed het na en kreeg meteen een grote rol. Hij belandde op de Amsterdamse toneelschool maar was tien jaar later blij toen hij het "dames- en herentoneel' van het Nieuw Rotterdams Toneel achter zich kon laten voor de televisie. Producente Trudy van Keulen (“met haar had ik in de box gestaan”) vroeg hem in 1967 als verteller voor het programma Woord voor Woord, wat hij met zoveel succes deed dat de VARA hem uitnodigde om een nieuw kinderprogramma te ontwikkelen. Terwijl de directie met vakantie was, ontstond in de zomer van 1972 De Stratemakeropzee Show.

Aflevering drie van De Stratemakeropzee Show behandelde het thema "poep en pies', met onder veel meer een stemmig lied in walstempo over de ellende van hondedrollen op het voetbaldveld, waar je "met je hand of je knie' invalt en die bij een kopbal in je haren blijven kleven. De Telegraaf kopte "VARA leert jeugd schuttingtaal' en Aart Staartjes en de zijnen werden door de directie op het matje geroepen. Daar hield Dolph Kohnstam ("die man heeft me altijd overal achtervolgd') hen voor dat ze hadden moeten laten onderzoeken of zo'n onderwerp "wel kon'. Intussen had De Stratemakeropzee Show dusdanig de aandacht getrokken dat de VARA er niet meer mee kon stoppen en ijlings nieuwe afleveringen liet maken. Het zouden er tweeënvijftig worden die samen een van de eerste controversiële series van de Nederlandse televisie vormden.

Basis van het programma was het deels op aanwijzing van Staartjes samengestelde "schrijverscollectief' met onder meer Hans Dorrestijn, Jan Riem en Willem Wilmink. Zij schreven sketches en liedjes, waarvoor Harry Bannink muziek componeerde. Staartjes: “De drie hoofdpersonen waren er vanaf het begin. Ik was meteen de bazige Stratemaker. Wieteke van Dort kende ik al, haar Deftige Dame ontstond samen met de schrijvers. Joost Prinsen had ik in de studiokantine gesignaleerd - een lelijke sladood, die samenwerkte met Ton van Duinhoven en zelfs tegen hem opkon. Jan Riem maakte kennis met Joost Prinsen en kwam drie dagen later al aan met een serie over Erik Engerd.

“We gingen ervanuit dat grote mensen in kinderogen totale krankzinnigen zijn en dat begrippen als lui en dom en leugenachtig voor kinderen iets heel anders inhouden.”

Een voorbeeld van die aanpak is het lied Het driftige kind dat Willem Wilmink schreef "naar een idee van Aart Staartjes'.

Ze zeggen dat ik een driftkikker ben,

en het is misschien wel waar,

ze zeggen dat ik een driftkikker ben,

maar ze máken het ernaar.

Bezongen wordt hoe zo'n driftbui tot stand komt en voelt en er volgt straf: "naar bed gestuurd'. Maar wie weet:

Straks komen ze kijken of je nog

huilt, maar dan ben je misschien dood.

Dan heeft een Kind zich Dood

gehuild, en is de ellende groot.

Tenslotte wordt het kind geroepen om te worden getroost:

Vooruit maar. Ach, ik zal wel gaan.

Ik zal ze maar niet laten zien

wat ze me weer hebben aangedaan.

Ze bedoelen het goed, misschien.

Werd De Stratemakeropzee Show niet ook bepaald door een grotemensenblik vol verholen moralisme?

“Zeker. Dat zat 'm erin dat we veel terugkeken naar vroeger en vertelden hoe mooi het toen was. Bijvoorbeeld het liedje Frekie, over een mongool die met de jongens mee mag voetballen en die ze laten winnen. "Misschien vind je Frekie zielig,/ maar dat was ie niet voor mij,/ want ik zag nog nooit een jongen/ die zo blij kon zijn als hij'. Dat is mooi, en het is ook ouwemannen-praat van Willem Wilmink. Geeft niets. Het is belangrijk voor kinderen om te horen over hoe het vroeger was, toen de straat nog zo leeg was dat je op de weg kon voetballen, met twee jassen als doelpalen.”

Kinderen werden consequent gespeeld door grote mensen.

“En dat betekent glad ijs. Geef je een kind gestalte dan moet je vooral niet je eigen verloren paradijzen proberen te heroveren. Een ettertje lukt het best, een lievig kind werkt gauw onsmakelijk: dat wordt een rare huppelende mevrouw, met naarbinnengedraaide voeten, vlechten en altijd sproetjes. Een sympathiek zielig jongetje kan net, al hangt het ervan af waarom het zielig is. Het best lukt een razend kind dat zijn vervloekte ouders hun vet wil geven: "Kom met sikkels en met zeisen/ Om ze de laatste eer te bewijzen' zoals Hans Dorrestijn schreef.”

Ben je een jaar of tien, dan heb je het gehad. Voor met zorg gemaakte programma's als Klokhuis ben je te groot en in jeugdhelden als de Stratemaker of Floris wordt niet meer voorzien.

“Jawel, die zitten in Goede Tijden Slechte Tijden en in The Bold and the Beautiful. Wie gaat met wie en wie is de slechterd, dat volgen kinderen vanaf een jaar of tien en daar kan ik weinig kwaad in zien. En taalspelletjes vinden ze leuk. Dat is nog leerzaam ook.”

Nog niet zo lang geleden was diezelfde groep verslingerd aan een serie als Ja Zuster Nee Zuster.

“Laten de omroepen hun best maar weer eens gaan doen en niet zeuren over geld. De commercie heeft zulke familieseries weggedrukt. Die is dodelijk, want zo'n sponsor gaat uitmaken wat het programma vertelt en zonder sponsors is het onmogelijk om nog programma's te maken, wordt er beweerd. Ik wil dat niet begrijpen. Waar betalen we dan dat miljard kijkgeld voor? Wij hebben de sponsors gelukkig buiten de deur weten te houden. Dat was met Klokhuis wat moeilijker, maar voor Sesamstraat konden we ons comfortabel verschuilen achter de Amerikaanse producenten, die sponsoring uitdrukkelijk hebben verboden. En ze staan te trappelen hoor. Lego wil zo, of een snoepfabriek, of een speelgoedketen. Maar wat moet je dan met een scène waarin Meneer Aart een bal stuk snijdt? Intertoys zou dat verbieden.”

Staartjes constateerde zelf al in september 1979 dat er meer oorzaken zijn voor het afglijden van de programma's: “Na Grease klinken de liedjes van Harry Bannink, Willem Wilmink en Karel Eykman ontzettend lullig,” schreef hij mismoedig in een essay over kindertelevisie. Hoewel hij nu wat meer aandacht voor de teksten bespeurt blijft hij somber: “Muziek op de televisie is steeds beeldender geworden en onze liedjes zijn gezongen literatuur. Iets anders kunnen we niet en bij MTV zullen we het nooit halen.”

Wat is een antwoord? Kinderen voor Kinderen?

“Alsjeblieft zeg, nee. Dat vind ik verschrikkelijk, die gedrilde kinderen. Staan ze o zo schattig betrokken teksten over het milieu te zingen, die volwassenen ze in de mond legden. Zing zelf, als je zo bezorgd bent, denk ik dan. Zing het zelf en laat die kinderen buiten spelen in plaats van ze af te richten.”

Het is voor een goed doel.

“Ja. Voor de VARA. Maar er valt nog zat te doen en te bedenken hoor. Alleen niet door mij. Ik wil niet meer.”

Ruim twintig jaar geleden liet Aart Staartjes bij gebrek aan mogelijkheden het toneel voor wat het was en wijdde zich aan de televisie. Nu wil hij de omgekeerde richting inslaan. Als acteur blijft hij te zien, maar hij gaf zijn functie als eindredacteur van Sesamstraat op. Het eindredacteurschap van Klokhuis deed hij twee jaar geleden al over aan Joost Prinsen. Voor het theater.

“Ik vind het toneel nu zo aantrekkelijk. De Toneelgroep Amsterdam, Frans Strijards, ze ontwikkelden een aparte eigentijdse stijl waar ik van geniet. De society-stukken zijn overwonnen en het normale praten is eindelijk uitgevonden. Kortom, ik wil op mijn ouwe dag weer toneel spelen. Voor volwassenen. Niet voor kinderen, dat trekt me niet.”

Verlegen bekent Staartjes dat hij bezig is een toneelstuk te schrijven. “Ik wilde nooit zelf schrijven, daarvoor keek ik te veel op tegen echte schrijvers. Maar afgelopen zomer heb ik het erop gewaagd. Ik ben aan een toneelstuk begonnen. Eerst vond ik schrijven vreselijk, gaandeweg kreeg ik er plezier in en nu gaat het me bij vlagen gemakkelijk af. Maar erna ben ik uren lang van slag. Schrijven is veel schaamtelozer dan spelen. Acteer ik, dan heb ik de macht om te interpreteren, om bepaalde zinnen te voeden met emoties die de auteur er niet in legde. Schrijf ik, dan manipuleer ik tot in het misdadige. Ik jat zinnen die ik ergens heb gehoord, ik verdraai ze door ze van context te veranderen en met dat geroofde goed laat ik een personage verschrikkelijk zijn. Ik vertroebel gedachtengangen, ik bega ongelukken door iemand een vraag te laten negeren. Schrijvend heb ik ontdekt dat ik het meest houd van groezelig gedoe. Van zwartgalligheid, van karakters die denken "wat een hèl'. Een hele avond tobberig gepraat, dat trekt me.”

    • Joyce Roodnat