Zonder omwegen, graag

Weg met de vrije pakketkeuze en het eindeloze doorstromen. Minister Ritzen heeft de oorlog verklaard aan "ineffeciënte leerwegen' door het voortgezet onderwijs.

Vrolijk klauteren de leerlingen omhoog, van lager beroepsonderwijs via MAVO naar HAVO en VWO naar HBO of universiteit - zo hoog ze kunnen. Het schoolsysteem als complex flatgebouw met veel verdiepingen, met elkaar verbonden door trappetjes en bruggen. Zo werd het nieuwe "onderwijsgebouw' verbeeld toen in 1968 de Mammoetwet werd ingevoerd. Leerlingen zouden voortaan eindeloos moeten kunnen overstappen van de ene schoolsoort naar de andere, net zo lang tot ze hun favoriete diploma hadden gehaald.

Vóór de Mammoetwet was er nauwelijks verkeer tussen de schoolsoorten - hooguit bleef je zitten. Maar met het bevorderen van doorstromen moest iedereen, ook de laatbloeiers, ook de langzamere leerlingen, tot de toppen van zijn kunnen worden gebracht. Aan dit emancipatoire ideaal van de Mammoetwet lijkt binnenkort een einde te komen. In zijn strijd tegen wat hij noemt "inefficiënte leerwegen' bepleit minister Ritzen dat leerlingen voortaan één rechte lijn bewandelen.

Leerlingen zouden niet langer onbeperkt gebruik moeten maken van de wandelwegen tussen de schoolsoorten. Het HAVO moet dus opleiden voor het HBO en niet dienen als vooropleiding voor het MBO; het VWO moet weer "de koninklijke weg' naar de universiteit worden en niet het voorstadium van het HEAO. En een leerling met een diploma uit het middelbaar beroepsonderwijs moet liefst direct gaan werken en niet doorstromen naar het hoger beroepsonderwijs.

Als er al wordt doorgestroomd moet dat in een vroeg stadium gebeuren, vindt Ritzen. Dus al vanuit 3-HAVO naar het MBO, vanuit 2-MBO naar het HBO. Zo lang er maar geen dure schooljaren worden verspild. ""Inefficiënte leerwegen zijn leerwegen die niet zo bedoeld zijn'', legt medewerker M. Divendal van het ministerie uit. Zoals de weg die dertig procent VWO'ers naar het HBO voert in plaats van naar de universiteit. Of de route HAVO- MBO- HBO in plaats van direct van HAVO naar HBO. Slechts veertig procent van de havisten gaat naar het hoger beroepsonderwijs. Ook het grote aantal zittenblijvers (21 procent) in 4-HAVO is volgens het ministerie van onderwijs een signaal dat veel leerlingen zich niet op de juiste schoolsoort bevinden.

Niet bekend

Doorstroom

Voor het hoger onderwijs betekenen de maatregelen dat de overheid voortaan nog maar voor één diploma betaalt. In het voortgezet onderwijs zou de school na de basisvorming - de eerste drie schooljaren - meer bevoegdheden moeten krijgen om leerlingen te verwijzen. ""De school moet mogelijkheden krijgen om leerlingen of studenten de toegang tot bepaalde trajecten te weigeren, wanneer die trajecten naar het oordeel van de school weinig kansrijk zijn'', aldus Ritzen.

Nu proberen leerlingen vaak een zo hoog mogelijke opleiding te volgen. Gevolg is dat daarna de doorstromers vooral "dalers' zijn - omdat het VWO of HAVO toch te moeilijk blijkt. In de periode 1988-1990 kozen per schooljaar zestienduizend (bijna drie procent) middelbare scholieren op MAVO tot en met VWO een "verkeerde' schoolsoort. Ongeveer negentig procent van hen ging alsnog naar een lagere opleiding.

Stijgen komt minder voor: MAVO- of VBO- scholieren die naar HAVO of VWO gaan omdat ze beter kunnen leren dan verwacht. Op het voorbereidend beroepsonderwijs is het aantal leerlingen dat afstroomt ongeveer tweemaal zoveel als het aantal leerlingen dat opstroomt.

Niet alleen het zogenoemde interne rendement van de scholen moet worden verhoogd. Ook de overgang naar de vervolgopleiding moet verbeterd. Nu leveren scholen vaak leerlingen af die niet optimaal zijn uitgerust voor hun vervolgstudie. In het MBO haakt naar schatting dertig procent van de leerlingen af. Universiteiten klagen over de gebrekkige algemene vorming van de nieuwe studenten. Daarom moet de vooropleiding beter gestructureerd en verzwaard worden, zo is aangekondigd in de nota "Profiel van de tweede fase voortgezet onderwijs'.

Voornaamste slachtoffer is de vrije pakketkeuze, een van de nieuwigheden van de Mammoetwet. De ruim tien verplichte eindexamenvakken voor gymnasium en HBS werden in 1968 teruggebracht tot zeven, waarvan alleen Nederlands en een moderne taal verplicht waren.

De opvolger van de vrije pakketkeuze heet het "doorstroomprofiel'; er zijn voortaan vier voorgeprogrammeerde clusters van vakken, toegesneden op de verschillende vervolgopleidingen. Nu kunnen HAVO- en VWO -leerlingen nog kiezen uit een kluwen van respectievelijk 178 en 266 verschillende eindexamenpakketten. Over twee jaar, als de eerste generatie leerlingen de basisvorming heeft voltooid, is de keuze beperkt tot vier profielen: natuur en techniek, natuur en gezondheidszorg, economie en maatschappij of cultuur en maatschappij. Elk met drie onderdelen. Allereerst het "geprofileerde' deel, de vakken die op het vervolgonderwijs zijn gericht. Verder moeten alle leerlingen een verplicht deel volgen met in elk geval Nederlands, de basisstof van drie vreemde talen, elementen van wiskunde-A en informatica. En ten slotte blijft er ruimte voor een vrije keuze.

Standenmaatschappij

De plannen met het voortgezet onderwijs zullen het Nederlandse onderwijs ingrijpend veranderen. Lang niet iedereen is daar gelukkig mee. ""We gaan terug naar de standenmaatschappij van Thorbecke'', vreest dr. Th. Hoogbergen die 42 jaar werkte als onderwijzer, leraar en rector en van 1983 tot 1989 adviseur was van toenmalig minister Deetman. Toen Thorbecke in 1863 de Hogere Burgerschool oprichtte, scheidde hij die duidelijk van het gymnasium: de HBS was voor de hogere burgers en gaf geen recht op een universitaire studie. ""Je ziet nu hetzelfde gebeuren'', meent Hoogbergen. ""Het HAVO moet de exclusieve vooropleiding van HBO worden en het VWO voor wetenschappelijk onderwijs.''

""Maatregelen die het stapelen van studies bemoeilijken, zullen vooral leerlingen uit lagere milieus treffen'', zegt drs. H. Webbink. Samen met prof.dr. B. van Praag van de Stichting voor Economisch Onderzoek van de Universiteit van Amsterdam presenteert hij vandaag voor het Nationaal Decanensymposium in Amsterdam hun onderzoek naar de achtergrond van studenten in het hoger onderwijs. Het effect van de kabinetsplannen is volgens Webbink ""de verstarring van de sociale mobiliteit.'' Het zijn immers vooral leerlingen uit lagere milieus die kiezen voor lagere opleidingen, om vervolgens door "stapeling' stukje bij beetje omhoog te komen.

De route via MBO naar HBO blijkt een belangrijke route voor studenten met lager opgeleide ouders: van de eerstejaars HBO 'ers met lager opgeleide ouders komt 31 procent met een MBO -diploma naar het HBO. Bij de eerstejaars met universitair opgeleide ouders is dat negen procent. ""We hebben geen concrete cijfers over het voortgezet onderwijs, maar het is aannemelijk dat ook daar vooral kinderen uit lagere sociale milieus stapelen'', aldus Webbink.

Onderwijsadviseur E. Schüssler, verantwoordelijk voor het voorstel om in het MAVO en VBO profielen in te voeren, formuleert zijn kritiek op de plannen met het voortgezet onderwijs voorzichtiger. ""Je zou'', oppert hij, ""naast de koninklijke weg naar de universiteit een b-weg kunnen openhouden. Omwegen moet je niet afsluiten, als ze maar geen hoofdwegen worden.''

Onderwijsonderzoeker drs. B. Wilbrink, verbonden aan het SCO Kohnstamm Instituut, is sceptisch over de invloed die de overheid kan uitoefenen op de leerwegen: het hoogste niveau blijft toch het meest aantrekkelijk. ""Het streven naar zo hoog mogelijk onderwijs is iets van de afgelopen honderd jaar. Die maatschappelijke krachten zijn buitengewoon sterk en dat kun je niet met maatregelen van bovenaf veranderen.''

Profielen

De profielen worden welwillender ontvangen. Rector N. Uppelschoten van het Groningse Zernike College voor MAVO, HAVO en VWO vindt het een goede zaak dat leerlingen zich voortaan, bij het kiezen voor een profiel, moeten realiseren dat je op de middelbare school al een juiste keuze moet maken. ""Leerlingen kiezen opportunistisch en denken meer aan "haal ik mijn diploma?' dan aan hun vervolgopleiding. De tendens is de keuze zo lang mogelijk uit te stellen en voorzichtige omwegen te kiezen.''

Maar Hoogbergen, die erkent dat de aansluiting tussen middelbaar en hoger onderwijs op dit moment ""allerbelabberdst'' is, noemt profielen onzin. ""Er zijn meer dan honderd HBO -opleidingen en ruim honderdtwintig universitaire opleidingen. Niemand kan op vijftien-jarige leeftijd precies zeggen wat-ie wil. In vier profielen is de verstarring te groot. Dat was ook zo vóór de Mammoetwet, toen dertien vakken voor het eindexamen verplicht waren.''

    • Birgit Donker