Waar blijft de hulp voor Drietabbetje?

STOELMANSEILAND, 7 OKT. In de lucht houdt een Franse helikopter een oogje in het zeil en op de Marowijne-rivier een korjaal met Franse soldaten onder een grote tricolore. Op de grasstrip waar minister Ter Beek in een tweemotorig toestel van de Surinaamse luchtmacht landt, maken twee Franse officieren hun opwachting.

Sinds enkele dagen werken de Fransen hier aan de grens samen met een pas gearriveerd peloton van het Surinaamse nationale leger. Dit is het verlaten eiland van het Jungle Commando van Ronnie Brunswijk. Maar de vrede is nu getekend en Brunswijk houdt zich in Moengo op, druk met een aantal commerciële activiteiten. Slechts een klein deel van de bevolking is hier teruggekeerd. Sommige vluchtelingen zijn aan de overkant in Frans Guyana gebleven, anderen zijn naar Paramaribo getrokken of naar dorpen hoger aan de rivier of sommigen naar het buitenland.

“Het is hard nodig dat we hier duidelijk aanwezig zijn”, zegt bevelhebber Arthy Gorré. “De bosbevolking wordt nog steeds afgeperst door kleine roverbendes, die ontstaan zijn in de burgeroorlog. Er wordt tol geheven op de rivier, illegaal goud gedolven en verhandeld en als iemand verdacht wordt, dan vlucht hij naar de overkant. Daar kunnen we hem niet pakken. Wij moeten de bosbewoners hier meer bescherming gaan geven. Dat is ook een onderdeel van onze nieuwe taak als nationaal leger.”

Gorré hoopt door samen met de Fransen patrouilletochten te houden oplichting en diefstal tegen te gaan. Maar hij geeft toe dat zijn mannen voor een haast onmogelijke taak staan langs de honderden mijlen lange rivier, terwijl er nauwelijks vervoermiddelen of brandstof voorradig zijn.

Na een kort bezoek gaan de ministers Gilds en Ter Beek met hun gevolg naar Drietabbetje, een vrij welvarende nederzetting aan de Tapanahony-rivier. Daar wacht Granman Gazon Kroetachosa op het gezelschap. Op het vliegveld staan twee van zijn kapiteins in khaki uniformen, uit koloniale snit gesneden, Ter Beek en Gilds op te wachten. De Granman heeft kennelijk een dringende boodschap en heeft zijn voorbodes alvast uitgestuurd.

Met drie korjalen worden de gasten over de snel stromende rivier gezet. Behendig scheren de bootsmannen tussen de grote stenen. Tussen de bananenbomen loopt een pad van zilverzand en in een grote overdekte hal wacht de Granman. Het blijkt niet eenvoudig om met hem in gesprek te komen. Je mag het woord niet direct tot hem richten, maar alleen via een van zijn basja's, leden van zijn hofhouding. Alle vriendelijke woorden moeten vertaald worden, eerst van het Nederlands in het Sranang en dan in de taal van de Okaners. Het is een van de grootste stammen van het Surinaamse bosland. Hun aantal wordt op 15.000 geschat.

Granman Gazon heeft een onheilspellende zonnebril, een gesteven wit pak dat lijkt op het uniform van een gouverneur en een grote generaalspet die diep achter zijn oren begint. Hij is getooid met de versierselen èn van ridder van Oranje-Nassau èn van officier van Oranje-Nassau. Buiten zijn kantoor hangt een grote foto van Clinton en binnen een oudere foto van toen nog koningin Juliana en prins Bernhard. Bovenop de slaapgalerij, waar zijn zeven vrouwen druk zijn met de was, een staatsieportret van koningin Beatrix en prins Claus.

Na een half uur in het begroetingsceremonieel wordt duidelijk dat de Nederlandse minister hier niet zo gemakkelijk wegkomt. De Granman noemt het allemaal een hele eer dat de minister van defensie de rivier is afgezakt en naar deze uithoek van de wereld is gekomen. Het spijt hem dat hij de gast toch vermanend moet toespreken: waar blijft de hulp voor de arme bosbevolking?

“Wij kwamen allemaal uit Afrika naar Suriname en wij zijn toevallig hier begonnen. Het is niet onze schuld dat wij minder kansen hebben gehad op het gebied van onderwijs. Wij verdienen het dat u ruimhartig bent met uw hulp in Nederland. En als u er straks in slaagt dat bij uw regering te bewerkstelligen laat het dan vooral aan ons weten, dan blijft die hulp tenminste niet in Paramaribo hangen. Wij hebben geleden onder een burgeroorlog en wij vragen u bij te dragen aan onze wederopbouw en mede te zorgen samen met minister Gilds dat wij niet opnieuw gestoord worden door vijandigheden die onze toekomst verduisteren”, aldus Granman Gazon.

Ter Beek hoort hier bij elk onderdeel van zijn programma in Suriname dat Nederland ruim in gebreke blijft. Maar het pleidooi van Granman Gazon raakt hem. Langzaam kiest hij zijn woorden. Ze worden twee keer vertaald: “De samenwerking tussen uw en ons volk is in beider voordeel. De vreedzame ontwikkelingen in uw land moeten nu mogelijk zijn en ik zal vrijdag het kabinet van uw pleidooi op de hoogte brengen”, aldus Ter Beek.

Als de Granman een nieuwe koffer heeft gekregen, een fles oude jenever, twaalf flessen whisky en een baal rijst voor het dorp, een reproduktie van het gebouw van het ministerie van defensie in Den Haag en zakken tabak, verkleedt hij zich voor de lunch. In een lang Afrikaans gewaad met een zwartleren hoedje op doet hij zijn bezoekers tenslotte uitgeleide bij het hek. De basja's zitten aan de kip met rijst en voor één keer staat hij goedlachs toe dat hij direct wordt aangesproken. Hij wenst zijn bezoekers een goede terugkeer. “Ik ga er vanuit dat u mijn boodschap niet vergeet. Tijdens de oorlog hadden we tenminste nog noodhulp. Nu ontbreekt het ons zelfs aan medicijnen uit Nederland tegen de malaria en tientallen mensen van ons gaan dood, terwijl het niet zou hoeven gebeuren.”