Verkassende tuinders

Heidemij Tijdschrift. Vakblad voor het leefmilieu. Jaargang 104, nummer 4 september 1993. Uitgave van de Vereniging Koninklijke Nederlandsche Heidemaatschappij en Heidemij BV. Verschijnt vijf keer per jaar. Losse nummers verkrijgbaar door ƒ 9,75 over te maken op giro 2604301 t.n.v. Vereniging KNHM, Arnhem.

Met een bundeltje paksoi in zijn hand slaat een Westlandse tuinder door het glas van zijn kas de oprukkende stedelijke nieuwbouw gade, die hem tot op enkele tientallen meters genaderd is. Net als vele andere tuinders in het westen van het land zal hij moeten verkassen omdat naburige steden ruimte willen voor huizen. Het is dringen.

Behalve voor stadsuitbreidingen is er ook grond nodig voor industrieterreinen, infrastructurele werken als de hoge-snelheidstrein, afvalverwerkingsinstallaties, havenslibdepots, bossen en recreatiegebieden. En die grond moet allemaal van de landbouw komen.

Daarnaast is ook de grondhonger van de glastuinders zelf bij lange na nog niet gestild. De glastuinbouw zal nog flink groeien. Kon een tuinder met één hectare kas vroeger aardig meekomen, nu telt hij pas mee als hij drie tot vijf hectare heeft. Bovendien heeft hij extra ruimte nodig voor milieuvoorzieningen als regenwaterbassins en groenomlijstingen. Die moeten de kassen onttrekken aan het oog van stedeling die, tussen de kassen fietsend, denkt dat hij op een industrieterrein beland is. Op de huidige lokaties kunnen tuinders die ruimte niet krijgen en bovendien kunnen ze niet opboksen tegen de stedelijke belangen. Ze zullen dus moeten verkassen.

Op korte termijn zullen 150 tuinders bij Den Haag en 90 tuinders bij Utrecht weg moeten, op langere termijn tuinders tussen Rotterdam, Delft en Zoetermeer. Er moet ruimte komen voor zo'n 200.000 woningen. De totale kosten van deze verkassingsoperatie lopen in de miljarden. Kasgrond is duur en kost tussen de 90 en 400 gulden per vierkante meter. Daar komen nog kosten bij voor bodemsanering, want veel terreinen zijn zwaar vervuild door kolenas (uit de tijd van de kolenstook), bestrijdingsmiddelen en zware metalen. Dat worden dus dure bouwterreinen, want het principe dat de vervuiler betaalt wordt hier niet toegepast.

Dit openingsartikel in het Heidemijtijdschrift ademt net als de andere een optimistische geest. Even komen de "emotionele bezwaren tegen de tuinbouw" van de "overwegend stedelijke achterban" van partijen als PvdA en D66 ter sprake - zoals de inzet van illegale arbeidskrachten, milieuvervuiling, energieverkwisting en landschappelijk aanzien - maar over het huidige dramatische verlies van buitenlandse afzetmarkten en de toenemende concurrentie vanuit Zuid-Europa wordt niet gerept.

Ook een interview met Rabo-topman F. Schreve over bankkredieten voor milieuinvesteringen heeft een optimistische ondertoon, hoewel veel boeren op dit moment het hoofd nauwelijks boven water kunnen houden vanwege de milieu-eisen en financiële verplichtingen ten opzichte van de Rabo-bank, die 90% van de kredieten aan boeren verstrekt. De interviewer stelt wel kritische vragen, maar dringt niet erg aan, terwijl de foto's overdreven optimisme en zelfgenoegzaamheid uitstralen. Milieu-investeringen als mestinjectie en mestopslag kosten weliswaar veel geld zonder dat ze inkomens verhogen, maar de bedrijven beschikken volgens de Rabo-topman over voldoende reserves. "Er zullen ongetwijfeld bedrijven zijn die aan de onderkant zitten en als gevolg van de milieu-eisen door de bodem zakken. Ik verwacht echter niet dat er hele bedrijfstakken zullen verdwijnen", zegt Schreve geruststellend.

Verder bevat het Heidemijtijdschrift artikelen over stadsdistributiecentra om grote "roetbrakende" vrachtwagens die voor de aflevering van een paar pakketten de binnenstad inrijden, aan de rand van de stad op te vangen en te vervangen door kleine, volgepakte (elektrische) vrachtwagentjes; een computerprogramma waarmee watermilieus vanuit het oogpunt van zoetwatervissen geëvalueerd kunnen worden; elektriciteitswinning uit landbouwgewassen om te besparen op fossiele brandstoffen en de uitstoot van CO te verminderen; de exploitatie van een eigen bus door de bewoners van een afgelegen Gronings dorp; een (indirecte) discussie tussen VNO-voorzitter A. Rinnooy Kan en D. Wolfson van de WRR over energieheffingen; en een gesprek met de burgemeester van de Friese gemeente Opsterland, die met dertien inzendingen in de prijzen viel bij de KNHM-leefbaarheidswedstrijd. Daarnaast bevat het blad rubrieken met korte berichten over "verkeer en vervoer', "milieu', "woonomgeving', de Heidemij (adviesbureau) en de Vereniging KNHM.

Zowel de artikelen als de korte berichten zijn interessant, informatief plus deskundig en zeer toegankelijk geschreven. Toch is het Heidemijtijdschrift een beetje een verenigingsblad. Het wil "zo objectief mogelijk voorlichting geven over de kwaliteit van het fysieke leefmilieu" en "een platform bieden om de gedachtenwisseling en meningsvorming hierover te bevorderen", maar legt daarbij meer de nadruk op (technologische) oplossingen dan op het analyseren van problemen. Dat is tegelijkertijd ook de charme van het blad. Daarmee biedt het een waardevolle aanvulling op tijdschriften als "Natuur en Milieu' en "Milieudefensie' die over dezelfde onderwerpen berichten, maar de problematische aspecten overbelichten en de toekomst minder optimistisch tegemoet zien. Het voorwoord van een KNHM-bestuurslid die onder de titel "Verdrijving uit het paradijs" de beperkte openstelling en toegankelijkheid van natuurgebieden hekelt, benadrukt het verenigingskarakter en had beter een column kunnen zijn.