Schol wordt vroeger volwassen

De Noordzee wordt al ruim een eeuw overbevist. Toch sterven de vissen niet uit. Reden is dat zij zich aanpassen aan het menselijk gedrag. ""Niet door sneller te gaan zwemmen, zoals een Urker visser mij ooit gekscherend vertelde, maar door eerder geslachtsrijp te worden'', zegt dr. Adriaan Rijnsdorp, bioloog bij het Rijksinstituut voor Visserij onderzoek (RIVO-DLO) te IJmuiden. Die verandering is deels genetisch vastgelegd.

Rijnsdorp richt zich op platvis als tong en schol. Vooral de biologische ontwikkeling van schol is in de tijd goed te volgen. Al sinds begin deze eeuw wordt de stand van deze economisch belangrijke vissoort geturfd. Dat begon nadat het visserijbedrijf bij de overheid klaagde over teruglopende vangsten per visreis sinds de invoering van de stoomtrawlers. De eerste generatie visserijbiologen adviseerde al rond 1910 om de visserij op kleine, jonge schol in de kuststrook te verminderen. Grote vissen trekken naar diepere wateren. Maar die adviezen werden massaal in de wind geslagen. De schol werd hierdoor gedwongen zo jong mogelijk volwassen te worden.

Geslachtsrijp

Op dit moment zijn de vrouwtjes na vier jaar geslachtsrijp. Dat is twee jaar eerder dan aan het begin van deze eeuw. De bijbehorende lengte is gedaald van gemiddeld 34 naar 30 cm. Cruciale vraag is nu in hoeverre die eigenschappen zijn veranderd door genetische selectie.

Belangrijk studiemateriaal zijn marktmonsters van schol die op zolder van het RIVO worden bewaard sinds 1930. Uit de gehoorsteentjes (otolieten) van de vis is de jaarlijkse lengtegroei te bepalen. Otolieten zijn stenen van calciumcarbonaat in het inwendige gehoororgaan. Bij kleine vissen zijn die niet groter dan een zandkorrel, bij grote vissen kunnen de stenen een centimeter groot zijn. De otolieten worden laagsgewijs opgebouwd. Hierbij is de afstand tussen de lagen, net als bij jaarringen bij bomen, een maat voor de groeisnelheid. Rijnsdorp reconstrueerde, samen met het visserijlab in het Engelse Lowestoft, de individuele groeigeschiedenis van 1421 dieren. Op die manier ontdekte hij dat de vissen nu sneller groeien dan voor de oorlog. Kleine vissen tot 20 cm groeien 60 procent harder en die tussen 25 en 30 cm 20 procent. Bij grote vissen is er nauwelijks verschil.

Rijnsdorp maant echter tot voorzichtigheid bij interpretatie van de cijfers. ""Er zijn verschillende factoren die hetzelfde effect hebben. Probleem is om hun specifieke aandeel te bepalen.''

Groeiversnelling

Hij noemt eutrofiëring als mogelijke oorzaak van snellere groei. In de jaren zeventig was de Rijn sterk vervuild met fosfaten. Dit komt allemaal terecht in de Noordzee, vooral aan de kust, waardoor er meer plankton ontstaat voor de vissen. De geconstateerde groeiversnelling loopt parallel met de mate van eutrofiëring. En in de tweede helft van de jaren tachtig wordt de Rijn schoner en loopt de groei van de schol weer iets terug. ""Maar dat is een zeer suggestief verband dat nog lang niet is bewezen. Er zitten zoveel ingewikkelde biologische schakels tussen nutriënten en uiteindelijke opname door de vis dat je erg behoedzaam moet zijn met het leggen van een rechtstreeks verband tussen eutrofiëring en scholgroei.''

Zo speelt de sterke opkomst van de boomkorvisserij in de jaren zestig eveneens een rol. Hierbij worden netten met kettingen over de zeebodem gesleept om bodemvissen te vangen. Deze kettingen woelen de grond om en laten een spoor van dode en stervende bodemorganismen achter. ""Dat is makkelijk voedsel voor een aantal vissoorten. Hierdoor zou theoretisch de groeisnelheid kunnen toenemen omdat de dieren geen energie kwijt zijn aan voedsel zoeken. De groeiversnelling is bovendien het grootst in gebieden waar de boomkorvisserij het meest intensief is. Toch is de hier gevonden correlatie moeilijk hard te maken.''

De boomkorvisserij beïnvloedt volgens Rijnsdorp op den duur tevens de soortsamenstelling van de bodemfauna. Grote schelpdieren worden vermoedelijk verdrongen door kleine schelpjes en wormen, die als voedsel dienen voor platvis.

Rijnsdorp noemt verder de visdichtheid als deel van de verklaring. Een kleinere scholstand betekent immers dat het beschikbare voedsel verdeeld wordt over minder dieren. Dat is gunstig voor de groei. Omgekeerd gaat uiteraard ook op. Zo is 1963 een uitschieter. ""In dat jaar werden er vier maal zoveel jonge schol geboren als gemiddeld vanwege een gunstig leefmilieu voor eieren en larfjes. We constateren dat die lichting in de eerste drie levensjaren slechter groeit dan de jaarklassen vlak daarvoor of een aantal jaren erna. Dat is grotendeels te verklaren uit de visdichtheid'', aldus Rijnsdorp.

Ongestoord

Ook in en vlak na de oorlog liep de groeisnelheid van schol terug. Zeemijnen maakten visserij op bodemvis lange tijd onmogelijk. De vispopulatie kon in die periode ongestoord uitbreiden. De groei van de schol is in die situatie duidelijk voedsel gelimiteerd.

De kleinere lengte van geslachtsrijpheid is gedeeltelijk ook een gevolg van de stijging van de watertemperatuur in de Noordzee. Een hoge temperatuur van het zeewater in de paaiperiode verhoogt de kans op geslachtsrijpheid, zo blijkt uit analyse van opeenvolgende jaarklassen. Op dit moment is de Noordzee ongeveer 1 graad Celsius warmer dan begin deze eeuw.

Via ingewikkelde berekeningen is Rijnsdorp erin geslaagd om het effect te bepalen van de verschillende factoren op het eerder en op kleinere lengte geslachtsrijp worden van de schol. In totaal kan echter minder dan de helft van de waargenomen verlaging van vier centimeter worden verklaard uit omgevingsinvloeden. Het niet verklaarde deel dient te worden toegeschreven aan genetische selectie, meent Rijnsdorp.

""Dieren paaien op jongere leeftijd en op kortere lengte om meer nakomelingen te krijgen. Dat is nodig om de enorme sterfte te kunnen ondervangen. Door overbevissing wordt de vispopulatie jaarlijks met een derde uitgedund tegen slechts een tiende in onbeviste situatie. De levensverwachting van een vrouwtjesschol is in honderd jaar tijd gezakt van gemiddeld vijftien naar acht jaar. In kortere tijd moet ze dus zorgen voor instandhouding van de populatie. Door al op kleinere lengte voort te planten wint de schol een of twee jaar. Bovendien leggen door de selectiedruk kleine vrouwtjes meer eieren dan vroeger.''

In de commerciële visserij is een soortgelijke genetische verandering eerder aangetoond bij zalm. De vissen worden geboren in een rivier, trekken vervolgens naar zee om na een aantal jaren weer terug te keren naar de geboorteplek om te paaien en tenslotte te sterven. Uit Canadees onderzoek van William Ricker uit begin jaren tachtig blijkt dat de lengte waarop de paairijpe zalm terugkomt afneemt. De visserij heeft namelijk voorkeur voor de grote vissen en laat de kleintjes zwemmen. Hierdoor kunnen de kleintjes zich wel voortplanten en de grote niet. Dit werkt uiteindelijk in het nadeel voor de visserij, omdat de opbrengst in biomassa mindert.

Dat geldt ook voor de Noordzee. Voortzetting van de huidige visserijintensiteit (jaarlijks 150.000 ton schol) zal er naar verwachting toe leiden dat vrouwtjesschol op nog kleinere lengte geslachtsrijp zal worden. Dit veroorzaakt volgens Rijnsdorp een vermindering van de jaarlijkse opbrengst met vijf procent in de komende honderd jaar.

Rijnsdorp betreurt het korte-termijn- en marktgerichte karakter van het visserijbiologische beleidsadvies. ""Als je natuurlijke populaties exploiteert moet je rekening houden met mogelijke effecten op lange termijn, zoals genetische veranderingen. Het visserijonderzoek zal zich in de komende jaren daar sterker op moeten richten.''

    • Peter de Jaeger