Raadseltjes over zoekraken van mest

TILBURG, 7 OKT. In twee jaar tijd raakte in de provincie Brabant alleen al 2,8 miljoen ton dierlijke mest zoek. Het gaat bepaald niet om kleine hoeveelheden: je kunt er van hier tot Napels een aaneengesloten rij met 20-tonners mee vullen. Wat gebeurt er met de zoekgeraakte mest, als hij inderdaad al is zoekgeraakt? Dat is de vraag die het meest prangt. Dumpen de boeren het spul, gooien ze er een schepje extra van op hun grond, eten ze het soms op of produceren ze helemaal niet zoveel als de officiële cijfers, waarop overigens het landelijk mestbeleid is gebaseerd, aangeven? Of produceren ze misschien nog veel meer?

P. Deenen is secretaris van de Brabantse stuurgroep Landbouw en milieu. Daarin werken het provinciaal bestuur en het Brabantse landbouwbedrijfsleven nauw samen. “De publiciteit die nu weer ontstaat is niet prettig. Dat boeren mest illegaal lozen zijn praktijken van vroeger; tegenwoordig gaat men er heel fatsoenlijk mee om. Het wordt tijd dat we met z'n allen eens gaan zoeken hoe we werkelijk met de cijfers moeten omgaan. Of de gegevens die nu worden gebruikt om het mestbeleid vast te stellen de waarheid benaderen dat weet niemand. Aan werkelijk inzicht over de omvang van het probleem ontbreekt het”.

Mest is eigenlijk gewoon stront. Vroeger was er op de arme Brabantse zandgronden zo'n tekort aan dat de keuterboertjes hun potstallen bewaakten als werd er goud in bewaard. Nu verzuipt men er zo wat in, wat voor meer delen van de Nederlandse "arme' zandgronden geldt.

De overheid baseert haar mestbeleid op de mei-tellingen van het Centraal Bureau voor de Statistiek. Per 1 mei zijn er zo- en zoveel dieren (varkens, runderen, kalveren, kippen en wat dies meer zij) en van hen wordt verwacht dat ze per jaar zo- en zoveel kilo poepen. En in die hoeveelheid poep zitten zo- en zoveel fosfaat en mineralen. Daar zit al één mogelijkheid van verkeerd berekenen: het aantal dieren kan in de loop van het jaar best aanzienlijk toe- of afnemen en naar rato zal dat met de mest gebeuren. “Je werkt met statistische gegevens en met gemiddelden. De werkelijke hoeveelheid mest”, aldus Deenen, “kan natuurlijk niet worden gewogen”.

In Brabant worden de CBS-gegevens nog eens aan eigen gegevens getoest: daarvoor werden 200 varkensbedrijven onderzocht. Daaruit bleek dat het ene varken per jaar 800 kilo mest produceerde tegen het andere 2.000 dus speling is er genoeg; naar boven of naar beneden.

Mest is op zich een groeibevorderend produkt. Hebben boeren genoeg eigen land, dan kunnen ze het daar op kwijt of bij hun collega in de buurt. Dat is het mooiste want dat kost het minste. Er zijn echter boeren met nauwelijks meer eigen land dan dat waarop hun stallen staan. Die hebben dus so wie so al een overschot. Dat kunnen ze op eigen kosten via eigen kanalen dan wel via de Mestbank over verre afstanden afzetten. Dat gaat met behulp van registratiebewijzen. “Maar dat systeem blijkt niet te functioneren; er wordt heel veel mest zonder bewijzen afgezet”, aldus Deenen. Dus ook dat element in het rekenen moet men node missen. De enige zekerheid die men feitelijk heeft is de hoeveelheid mest die via de Mestbank wordt gedistribueerd.

Mest is gewoon stront, maar niet alle mest is hetzelfde. Erger nog: volgens Deenen is het gigantisch moeilijk vast te stellen wat mest eigenlijk is'. Er is waterige mest, die bij transport veel te duur uitvalt. Daarom proberen boeren met minder watergebruik in de stallen te komen tot mest in vastere vorm. Maar mest van kalveren is weer geheel anders dan die van vleesvarkens en ook die verschilt weer van die van zeugen. Per varkensplaats - daar gaat het mestbeleid van de overheid nu nog vanuit - wordt 7,4 kilo fosfaat geproduceerd. Maar in Brabant zegt men dat door het gebruik van fosfaatarmer voedsel of van fytase de hoeveelheid fosfaat met 25 tot zelfs 50 procent is teruggebracht. Als dat waar is, wordt het berekenen van het werkelijke mestoverschot dus nog eens zo moeilijk.

Dat het provinciaal bestuur van Noord-Brabant na de vaststelling van de hoeveelheid zoekgeraakte mest minister Bukman van landbouw vroeg om een betere handhaving van de regelgeving doet na dit alles eerder komisch dan serieus aan. De Algemene Inspectiedienst van het ministerie van landbouw, de eerst aangewezen controle-instantie, kan maar mondjesmaat snuffelen naar eventuele ongerechtigdheden. Of er meer mest op eigen grond is gebruikt dan is toegestaan wordt slechts gecontroleerd aan de hand van afleveringsbewijzen aan de Mestbank. Maar wat valt er eigenlijk te controleren als men in feite niet eens weet waar men precies over praat. De boeren zelf vinden toch al dat ze al te zeer op de huid worden gezeten, zodat van die kant echt overtuigende medewerking steeds moeilijker te verwachten is. “De mestwetgeving”, aldus Deenen, “is zo diffuus dat er geen boer meer is die precies weet wat er gaande is”.

Resumerende: er zijn raadseltjes genoeg. Waarbij nog tenminste één extra raadsel komt: gebruiken boerenorganisaties en andere instituten die zich met de mestproblemen en het oplossen ervan bezighouden met opzet ingewikkelde rekensommetjes om het rookgordijn zo dicht te maken dat geen mens meer kan oordelen over de werkelijkheid?

    • Max Paumen