Portefeuille Simons toch naar d'Ancona

DEN HAAG, 7 OKT. Minister d'Ancona (WVC) moet waarschijnlijk toch begin volgend jaar de portefeuille van staatssecretaris Simons erbij nemen. Dat zei premier Lubbers gisteren tijdens een debat in de Tweede Kamer dat D66 had aangevraagd over het vertrek van Simons naar Rotterdam.

“Het risico dat zij (d'Ancona, red.) het erbij moet doen, wordt vergroot door de gekozen procedure”, zei Lubbers, doelend op het besluit van het kabinet om Simons pas midden januari te laten vertrekken. De tijd om nog een opvolger in te werken en te laten functioneren, vier maanden, is wel erg kort zei Lubbers.

D66-Kamerlid J. Kohnstamm slaagde er gistermiddag niet in een Kamermeerderheid achter zijn voorstel te krijgen om Simons nu al te laten vertrekken. Een motie van D66 hierover kreeg alleen steun van GroenLinks.

Doordat nu al duidelijk is dat Simons vertrekt is het ultieme machtswapen van de Kamer tegen een bewindsman, hem naar huis sturen, bot geraakt, aldus Kohnstamm. Volgens Lankhorst is Simons “politiek ongrijpbaar geworden”.

Een meerderheid van de Kamer was echter van mening dat naar huis sturen ook de komende maanden wel degelijk mogelijk blijft. Bovendien wees CDA-woordvoerster Laning, en later ook Lubbers, erop dat er meer voorbeelden van bewindslieden (ze noemde onder anderen Muntendam, Polak, De Graaf, Van Voorst tot Voorst) zijn te vinden bij wie er enige tijd zat tussen de aankondiging van hun vertrek en hun daadwerkelijke afscheid. Kohnstamm wees er echter op dat in al die gevallen de overgangsperiode korter was dan bij Simons. Bovendien ging het meestal om kabinetsleden die demissionair waren, of dat al snel zouden worden. Bovendien zouden in het geval van Van Voorst tot Voorts bepaalde beslissingen over defensiematerieel zijn uitgesteld tot na zijn vertrek.

Kohnstamm zei verder dat tussen nu en half januari nog controversiële onderwerpen door Simons moeten worden behandeld zoals de euthanasie-voorstellen in de Eerste Kamer. Doordat de staatssecretaris “materieel demissionair” is, krijgen zijn ambtenaren het bij deze discussies te veel voor het zeggen, vreest Kohnstamm.