Onvolledige tentoonstelling van schilder Harrie Kuijten in Bergens museum; Domein van verlokkingen, sensatie en geheimen

Tentoonstelling: Harrie Kuijten als figuurschilder. Museum Kranenburgh, Bergen. Openingstijden: di-zo van 13.00u-17.00u. Tot en met 13/1. Catalogus ƒ 75.

De tentoonstelling heet: Harrie Kuijten als figuurschilder. We weten het natuurlijk nooit, maar het is moeilijk voorstelbaar dat Kuijten (1883-1952), als hij nog had geleefd, zijn schilderkunstig werk onder deze ene noemer had willen presenteren.

Ik kreeg iets wreveligs bij het zien van deze beperkte keuze in het Bergense Museum Kranenburgh; niet vanwege de kwaliteit van de portretten, de naakten of de zelfportretten. Wel omdat de onvolledigheid ervan vreemd genoeg de schilder ten nadele strekt. Een bijkomstigheid die de samenstellers, indien ze niet gespeend waren van inlevingsvermogen, hadden kunnen voorkomen. Heel eenvoudig door van Kuijten ook zijn intieme stillevens, zijn weergaloze Amsterdamse stadsgezichten en de bekoorlijke, zelden ruige strandtaferelen te exposeren.

Harrie Kuijten is een lonely wolf onder de schilders uit de eerste helft van deze eeuw. Invloeden zijn er zeker, aanvankelijk van de impressionisten, later van de fauvisten en tot slot de donkere toonzetting van de Bergense School. Tot geen enkele stroming behoorde hij werkelijk. Een individualist uit overtuiging, een onbekende, zelfs voor wie hem meenden te kennen. In de vrouwenportretten is hij waarschijnlijk schatplichtig aan de Nederlandse meester in dit genre, Kees van Dongen. Een gezicht van hem op het Rokin in Amsterdam schijnt in een vroegere catalogus weleens verward te zijn met een vergelijkbaar werk van Jan Sluijters. Verder genoot hij van Breitner en van twee Duitsers zonder wie het vitale modernisme van het begin van deze eeuw ondenkbaar is, Kirchner en Munch.

Licht, beweging, herkenbare vorm en kleur bepalen de toon van de doeken. Kuijtens werk is door een criticus uit 1917 "heel gewoon, gezond en eenvoudig' genoemd. Dat "gezond' heeft een nare bijsmaak, alsof er ook "ongezonde' kunst zou zijn. Nu zouden we schrijven levenslust, ontvankelijkheid voor zinnelijke indrukken, kracht. In Zelfportret met model (1917) lijkt Kuijten een schilderkunstige poëtica af te leggen. Hijzelf staat frontaal op het doek, paarse trui aan, de verfkwast gereed in de rechterhand, de toeschouwer recht en onverbloemd aankijkend, uitdagend ook, niemand die hem wat doet. Schuin achter hem staat een model, ze is naakt, in de spiegel weerkaatst zien we de helft van haar gezicht. Ze is mollig, niet slanker of ranker gemaakt dan in werkelijkheid. Met haar linkeroog blikt ze, via de spiegel, strak uit het schilderij.

Als schilderijen ergens over gaan, dan gaat dit schilderij over kijken. Niet zoetelijk of met bewasemde oogopslag. Maar eerder agressief en tegelijk afwerend. De buitenwereld van naaktmodel tot stadsgezicht, van bloemstilleven tot strandtafereel is voor een kunstenaar als Kuijten enerzijds een domein van verlokkingen en sensatie, van schoonheidservaring. Anderzijds is die wereld vervuld van zoveel raadsels en geheimen, dat alleen een peilende en nietsontziende blik iets ervan kan onthullen.

Was Kuijten een groot portretschilder? Als zelfportrettist vind ik hem groots; als schilder van naaktmodellen is hij uniek. Het naakt in de Nederlandse kunst is schaars. Zijn vrouwenportretten hebben weleens iets vlaks en onbestemds, een gelaatsuitdrukking die ophoudt bij het netvlies van de ogen en de huid van het gezicht. Waaraan ligt dat? Aan, opnieuw, het kijken. De naaktmodellen richten hun ogen niet op de toeschouwer, alsof zij niet meer nodig hebben dan hun lichaam. Op de portretten van de aangeklede vrouwen daarentegen, hoe sensueel en weelderig ook, kijkt het model de toeschouwer recht aan. Met een onwaarschijnlijk verleidelijke oogopslag, en onder die ogen een onbetamelijk rode mond. De hartvormige mond te kersrood en de lippen te vol, de ogen zoals die beschreven zouden staan in een liefdesromannetje. Hier heeft een mannenfantasie nadrukkelijk de schildershand gestuurd.

De eregalerij voor de, veelal, vrouwelijke portretten in Museum Kranenburgh laten Kuijten zien als een rusteloze man, die in de cafés en op de terrassen van Amsterdam, Parijs en Wenen zijn inspiratie zocht. Majestueus is het portret Wienerin uit 1922, waarop een in het zwart geklede Weense staat afgebeeld. Ze kijkt schuin vanonder haar wenkbrauwen, in tegenstelling tot een ander Weens schilderij, Vrouw in het café (1923), waarop in een uitdagende en rechtstreekse oogopslag iets melancholieks schuilt. Twee vrouwen die tonen dat ze mooi zijn, maar die zich tegelijk met die schoonheid geen raad lijken te weten. Later, in Nederland, zou Kuijten vrouwenportretten maken in minder expressieve kleuren, zoals de beide in terracotta getoonzette portretten van zijn vrouw Leni uit 1930. Hier weet de verf moeiteloos de textuur van de huid van boezem en armen op te roepen. Het rode kruis dat de vrouw om haar hals draagt, speelt een subtiel spel met het rood van haar lippen en de rode weerkaatsing op het tafelblad. Van impressionisme naar de donkerder stijl van de Bergense School mag een grote sprong lijken, en misschien is dat voor kunsthistorici het geval, bij Harrie Kuijten liggen de beide stijlen opmerkelijk in elkaars verlengde. Misschien moet hij niet bij een school ingedeeld worden; hij zocht zijn eigen weg van een altijd krachtig kleurgebruik en vlakverdeling. Deze twee tezamen geven het werk zijn specifieke, onmiddellijke zeggingskracht. In zijn schildersmateriaal wist hij het licht te vangen en te bewaren, zoals op twee van zijn mooiste, helaas niet geëxposeerde werken: Avond aan het strand (ca. 1909) en Ontbijttafel met beijzeld raam (1916).

Tijdens de duur van de expositie is op zondagen Kuijtens voormalige atelier in Groet aan de Heereweg 305 geopend. Hier, onder de hoge kap van een boerderij met schoongeregend daglicht dat door de ramen van buiten invalt, is veel van zijn werk ontstaan. Boven een piano hangt het late schilderij Stilleven met viool uit 1944. Een werk vol vanitas-motieven, zoals we dat kennen uit de zeventiende-eeuw. Een leeg glas, een pijp, een kaartspel, een zwijgende viool naast de met groen fluweel beklede kist. Kuijten sluit hiermee aan bij een eeuwenoude Hollandse traditie. Er hangt ook een ontroerend portret van zijn dochter. Opeens besef je weer wat in het Museum Kranenburgh ontbreekt: de gehele schilder, het oeuvre in al zijn facetten. De reprodukties in de catalogus vergoeden veel, maar het blijft een papieren liefde en geen tastbare, zinnelijk liefde van olieverf op doek waarin Kuijten zo uitblonk.