Niet zomaar een hoed: een unicum

Bij de hoed komt het aan op de juiste lichaamstaal. Een taal die bijna niemand meer spreekt. Op de hoedenexpositie en -show Multiple choises in Rotterdam zijn dragers en hoeden te zien. Geen fabrieksmatige produkten, maar feilloos gemodelleerd en "headturning'.

Multiple choises, expositie van hoeden en hoedenspelden. Te zien van 4 oktober tot 13 november 1993 bij galerie Art & Casey, Mariniersweg 303, Rotterdam.

De openingsshow vindt plaats op zondag 10 oktober 1993 om 15.00 uur (uitverkocht), om 19.00 uur (uitverkocht) met speciaal hoedenmenu en een Late Night Show om 21.00 uur in Café Restaurant de With, Witte de Withstraat, Rotterdam. Res 010-2141472.

De dame met de hoed. Zo noemen de inwoners van Houten kunsthistorica Marian Conrads. Ze doet boodschappen met een canvas opvouwhoed van Miriam Nuver op het hoofd of met een breedgerande Stasha. Bij het tuinieren draagt ze een geruite pet van haar man. Als iemand haar grijnzend aanstaart tijdens een ochtendwandeling door de grauwe groeikernen van Houten, zwaait ze vrolijk terug. Als een koningin.

Marian Conrads is hoedengek. Haar verzameling hoofddeksels telt inmiddels ruim 600 exemplaren en ze verschijnt hoogstzelden blootshoofds buiten de deur. Haar dorpsgenoten laten zich nog maar mondjesmaat door Conrads aansteken. Clôches, flap- en pothoeden kunnen sinds vorige winter wel weer, maar bijna niemand waagt zich aan de wat artistiekere modellen. "Je valt zo op', is het voornaamste bezwaar.

Conrads stoort zich daar niet aan. “Een extravagante hoed geeft me juist een kick. Hij accentueert je persoonlijkheid en maakt je kleding compleet. Nog nooit heeft iemand tegen me gezegd: "Zeg, wat zie jij er idioot uit!”'

We zijn het hoeden dragen verleerd. “Elke bezoeker van de koninklijke loge in Ascot weet hoe ongemakkelijk moderne vrouwen zich voelen als het aankomt op het dragen van een hoofddeksel”, constateerde de Britse Colin McDowell in zijn standaardwerk Hats. “Terwijl modegevoelige dames in het verleden precies wisten hoe een hoed te kiezen, zijn hun seksegenoten vandaag de dag geneigd extravagantie met glamour te verwarren en misvorming met stijl.”

Het opzetten van een hoed, en zeker een gekke hoed, vergt lef en ervaring. De schouders moeten een tikje naar achteren staan en de nekwervels horen kaarsrecht boven het stuitje uit te torenen. En wend vooral het gezicht niet naar de grond of hooguit om schalks onder de rand uit te kijken. Een geraffineerde kunst die Lena Olin in de film The Unbearable Lightness of Being tot in de puntjes beheerst.

Bij geen kledingstuk komt het zo aan op de juiste lichaamstaal als bij de hoed. Een taal die bijna niemand meer spreekt. Niet zo vreemd, omdat we na de verkettering van de hoed in de jaren zestig nauwelijks meer enige affiniteit met hoofdtooien bezitten. Ontbreekt de gewoonte, dan ontbreekt het comfort. Daarom, kapittelt McDowell, zien de meeste vrouwen er met hoofddeksel zo lomp en onnatuurlijk uit en leidt hun verschijning dikwijls tot verbazing of vermaak.

Om nu eindelijk eens af te rekenen met die collectieve schroom en stunteligheid hebben galeriehoudster (in eigenzinnige sieraden en accessoires) Nicolette Brunt en hoedenontwerpster Jackie Habets uit Rotterdam een expositie van kunsthoeden georganiseerd: Multiple choises. Ze schenken geen aandacht aan al die “risicoloze fabrieksmatig vervaardigde flapmodelletjes, die na drie keer aaien al uit elkaar vallen.” Het gaat Brunt en Habets om hoofddeksels die tot nadenken stemmen en die je op meer dan één manier op je hoofd kunt draperen. Intelligente hoeden: feilloos gemodelleerd en zoals de Engelsen dat noemen headturning.

Er doen 31 Nederlandse hoedenontwerpers mee. Variërend van de pas begonnen Wijnanda Deutekom uit Hoorn, die een bruidssluier van boterbriefjes stikte tot Marianne Jongkind, de wat oudere ontwerpster uit het gevolg van Frank Govers. Op de openingsshow zijn verder te zien: de afpelbare toque taupée van Eva Mols, het koninklijke stapelhoedje van Josefien Gronheid en Barbarella's Petite Four.

Het extreemste voorbeeld van een headturning hoofddeksel is de Kataï (Japans voor hard) van Bart Konter. In de hoedendoos lijkt het een doodgewone zwartleren wielrennershelm, maar zodra je de Kataï op je hoofd zet, valt er een waterval van bezemhaar over je gezicht. Alsof je door een vliegengordijn heengluurt. Bart Konter stelt overigens zijn voorwaarden aan de drager. Die moet bij voorkeur in het bezit zijn van een kale schedel.

Veel feërieker maar de burger minstens zo epaterend zijn de Soit-hoeden van Barbara van der Waal en Cootje Kenemans. Organische sculpturen van paarsblauwe en roestbruine zijdevezels. Hoeden in ontbinding die als motto meekregen: zijde als zijde en kleur als beroering.

“Als je zo'n hoed koopt”, zegt Nicolette Brunt terwijl ze een sprookjesmodel in haar handen wentelt, “dan koop je een statement. Het wordt steeds moeilijker om je met je garderobe van anderen onderscheiden, omdat kleding nu eenmaal minder pompeus oogt dan tien jaar geleden en niet voor niets basic heet. Wat je ziet is dat een bepaalde mode-elite naarstig op zoek is naar een manier om zich van de massa te distantiëren.

“Er is een ware run op accessoires. Sieraden en in toenemende mate ook hoeden, want geen kledingstuk is manifester dan een hoed. En aangezien mijn gemiddelde klant zich in hoge mate van zichzelf bewust is, koopt zij niet zomaar een hoed, ze koopt een unicum. Eentje die als gegoten zit en die voor haar lijkt geschapen.”

“Een grote hoed, hoe flatteus ook, past weinig in het winderige Noordzeeklimaat en kan slechts bij speciale gelegenheden als tuinfeesten en bruiloften worden gedragen”, schreef de etiquette-encyclopedie Levenskunst in 1962 voor. Een strohoed of bonnet was niet gewenst in schouwburg of bioscoop (“Tenzij men de H. terstond afzet.”) en evenmin bij avondbezoek aan kennissen of bij maaltijden ten huize van particulieren. Bij middagvisites en tijdens recepties daarentegen werd men geacht mét hoofddeksel te verschijnen. De voorkeur ging bij zulke gelegenheden uit naar een kleiner formaat.

Tot haar grote vermaak zag Marian Conrads haar zuster deze zomer tijdens de bruiloft van een nichtje worstelen met een wagenwiel op het hoofd. Steeds vaker ziet ze kittige hoedjes op recepties en een bevriende hoedenmaakster verkocht onlangs een groot deel van haar collectie tijdens de paardenraces in Breda.

Volgens Conrads is er sprake van herwaardering van etiquette, goede manieren en traditionele gebruiken. “Ik merk dat er weer belangstelling is voor gepaste kleding. Bezoekers van mijn hoedenverzameling neuzen maar al te graag in half verteerde naslagwerken om de juiste hoed voor een bruiloft uit te kiezen. De meest uiteenlopende gezelschappen komen op mijn historische collectie af: kunstacademiestudenten, huisvrouwen en Rotaryclubs, allemaal willen ze het naadje van de kous weten. Pillboxen, pothoeden, maar ook de nieuwste modellen van Marianne Jongkind tot Bedtime for Bonzo. Ik zie het als een vorm van herscholing. Een mentaliteitsverandering in het voordeel van de hoed. Steevast eindigt elke maidenparty of excursie in een bonte kermis van petten passen.”

    • Jutta Chorus