Nederlands drugsbeleid niet uniek, noch succesvol

Is het Nederlandse drugsbeleid werkelijk zo succesvol en uniek? Met opdringerige bekeringsijver proberen vaderlandse beleidsambtenaren en onderzoekers die indruk elders in de wereld te vestigen. Ten onrechte, oordeelt Jan-Willem Gerritsen die vandaag promoveert op het proefschrift "De Politieke Economie van de Roes'.

Dat met beleid het gedrag van mensen naar believen gestuurd kan worden is een sociaal- en christen-democratische illusie die veel geld kost. Deze stelling is bij uitstek van toepassing op het Nederlandse drugbeleid. Daarin wordt gebruik gemaakt van twee instrumenten: sociaal-medische zorg en politiële repressie. Daarin verschilt Nederland trouwens niet van andere westerse samenlevingen. Deze twee aspecten van het reguleringsregime voor verboden roesmiddelen gedragen zich als communicerende vaten. Nu eens is er sprake van een expansie van de hulpverlening, dan weer verschuift de balans naar een meer repressief politieel beleid. Maar ongeacht de precieze verhouding: het Nederlandse drugbeleid is succesvol, en de wereld zal dit weten. Met een opdringerige bekeringsijver doen de verantwoordelijke beleidsambtenaren en de talrijke onderzoekers op dit terrein hun best andere landen van het Nederlandse gelijk in dezen te overtuigen.

Houdt men echter wat meer afstand en een open oog voor historische ontwikkelingen, of trekt men vergelijkingen met andere roesmiddelen die niet verboden zijn (zoals alcohol), dan blijkt het Nederlandse drugbeleid in essentie nauwelijks te verschillen van dat van andere landen. Dan springt vooral de grootste gemene deler eruit, namelijk de nadrukkelijke werking van uiterst formele en repressieve vormen van (staats)dwang waarmee de consumptie van de verboden roesmiddelen wordt gereguleerd. Daardoor is de speelruimte voor het ontstaan van geïntegreerde, meer informele vormen van sociale regulering en zelfsturing beknot. Wat resteert zijn de vaak heimelijke misdaadopwekkende en ziekteverwekkende consumptiepatronen. Dit geldt voor Nederland evenzogoed als voor de Verenigde Staten of voor Engeland - om drie willekeurige westerse landen te noemen.

Hoe gerechtvaardigd is de claim van een succesvol Nederlands drugbeleid? Cijfers over het gebruik van verboden roesmiddelen zijn per definitie onbetrouwbaar en de impressies van experts zijn ook voor meer uitleg vatbaar. Dreigende bezuinigingen en de drang om toch nog een EG-instelling binnen te halen hebben hier meer objectieve verklaringskracht dan de schimmige consumptie-statistieken en de broze epidemiologie van het verslavingssyndroom. Toch is er een naastliggende vraag die we kunnen beantwoorden. Wat hebben pakweg twintig jaar verslaafdenzorg en politieel speurwerk ons - behalve de nodige werkgelegenheid - opgeleverd?Voor wat betreft de verslaafdenzorg is er in Nederland een bonte verzameling van "zorginstrumenten' verrezen. Van methadonbus tot afkickboerderij. Toch blijft ook in Nederland de bajes het belangrijkste vangnet voor verslaafden. Alle decriminalisering ten spijt zijn junks vooral daar vaste klant.

Dat brengt me op een tweede ontwikkeling die zich de afgelopen twintig jaar geleidelijk heeft voltrokken: drugverslaafden hebben als sociale groep in onze samenleving een metamorfose ondergaan. Het zijn allang niet meer de pechvogels uit een spraakmakende generatie van kritische jongeren, afkomstig uit een respectabel middenklassemilieu. De verslaafden die vandaag de dag in het oog lopen, vormen een totaal versufte en apathische onderklasse die alleen nog door het verlangen naar een volgende tijdelijke verdoving in beweging is te krijgen - om na gedane zaken weer terug te zinken in de goot.

Deze gedaanteverwisseling van gebruikers en verslaafden is in belangrijke mate de resultante van een overmaat aan overheidsbemoeienis. Er is bij mijn weten geen andere groep in de Nederlandse samenleving die gebukt gaat onder zoveel hulpverlening en andersoortige overheidsbemoeienis. Voor deze neerwaartse spiraal van eenzijdige verafhankelijking waarin de tegenwoordige generatie van drugverslaafden gevangen zit, zijn de categoriale vormen van zorgverlening in hoge mate verantwoordelijk. De methadonbus, perron nul, de CAD-dependances, de straffe afkick-kampementen etcetera zorgen ervoor dat van het streven naar normalisering, decriminalisering en medicalisering niets is terechtgekomen.

In al die jaren dat de discussie over medicalisering nu al wordt gevoerd, heb ik eigenlijk nooit een overtuigend argument gehoord waarom de reguliere medische beroepsgroepen (te beginnen bij de gewone huisarts en apotheker) zouden afzien van het behandelen van individuele verslaafden. Waarom gaan zij zo nodig niet over tot het voorschrijven en verstrekken van de verboden roesmiddelen of de substituten daarvoor? Artsen en apothekers zijn daar immers als enigen bij wet toe gemachtigd.

Waarom trekken (huis)artsen hun handen zo veel mogelijk af van verslaafden en laten zij hen over aan categoriale, meer repressieve vormen van bejegening? Ik kan me dit van de artsen ieder voor zich wel voorstellen. Met een respectabele praktijk zag ik mijn wachtkamer ook liever verschoond van zo'n zootje ongeregeld. Maar deze houding van de medische beroepsgroep geeft wel te denken. Blijkbaar is het niet zozeer de aard van het verboden roesmiddel - meestal gaat het om heroïne - die de reguliere medische beroepsgroepen hebben doen besluiten verslaafden de rug toe te keren. De ware oorzaak is de lage sociale status van deze patiëntenpopulatie. Sinds heroïne zo onmiskenbaar een proleten-drug is geworden, is de verslaving eraan in de eerste plaats een maatschappelijk kwaad, en in veel mindere mate een persoonsgebonden en te behandelen ziektesyndroom. Drugverslaafden worden gezien als een sociaal probleem en dat rechtvaardigt de huidige vormen van categoriale sociaal-medische hulpverlening - hulpverlening die op de keper beschouwd volledig in het teken staat van sociale controle.

Tot zover twintig jaar verslaafdenzorg. Nu de repressieve aspecten van het Nederlandse reguleringsregime. Het lijkt zo vanzelfsprekend dat een gespecialiseerde, internationaal samenwerkende politiemacht nodig is om de georganiseerde international opererende drughandel te bestrijden. Maar bekijken we de twee - het aanbod van de verboden roesmiddelen, en de repressie ervan - van wat meer afstand, dan zien we een Siamese tweeling waarvan de delen hun bestaansrecht toch in de eerste plaats aan elkaar ontlenen. De opbloei van internationaal opererende drugkartels is een logisch gevolg van een wereldwijd verbod op deze roesmiddelen. Drugmultinationals hebben zich kunnen ontplooien in wisselwerking met de politiediensten die in de diverse landen eerst een specialisering doormaakten, en vervolgens op een al maar hoger niveau van integratie (nationaal en recentelijk ook internationaal) zijn gaan samenwerken. In schril contrast met de toenemende inspanningen van deze politiediensten staan hun resultaten. Weliswaar worden de drugvangsten steeds groter en spectaculairder, maar enig gevolg voor het volume van het aanbod lijkt het niet te hebben.

Het illegale aanbod is een onlosmakelijk gevolg van een verbod. De winstmarge voor het aanbod (en daarmee de aantrekkingskracht van deze markt) wordt daarbij in hoge mate bepaald door de gestrengheid waarmee het verbod wordt nageleefd. Dus mede omdat er een mondiaal verbod bestaat op opiaten, heeft zich een uiterst winstgevend internationaal aanbod kunnen ontwikkelen; nog eens extra winstgevend omdat de inkomsten noodgedwongen belastingvrij en zonder premie-afdracht worden geïnd. Maar dit ontneemt de direct betrokkenen bij deze handel ook de mogelijkheid om bij geschillen een beroep te doen op respectabele instanties van rechtspraak en bemiddeling. Op de terreinen waar het belastingmonopolie van de staat niet van kracht is, is ook het geweldsmonopolie onvolkomen. Met andere woorden: de gewelddadige afrekeningen binnen "het milieu' zijn onherroepelijk en voorspelbaar het gevolg van de verbodsbepaling dezer negotie.

Hierbij komt dat het aanbod van een roesmiddel bij een verbod (en een strenge naleving daarvan) tendeert naar de toelevering van de meer geconcentreerde varianten van dit roesmiddel. Vandaar dat op de markt van verboden roesmiddelen tegenwoordig heroïne en cocaïne domineren, terwijl de laag geconcentreerde, mildere varianten van het betreffende roesmiddel uit de markt zijn gedrukt.

Maar bij dit alles is de fundamentele vraag die ten grondslag ligt aan deze wereldwijde dynamiek nog niet gesteld: waar komt dit wereldwijde verbod op bepaalde roesmiddelen eigenlijk vandaan en waaraan ontleent het zijn bestaansrecht? Allereerst wil ik opmerken dat er moeilijk andere consumptiegoederen te verzinnen zijn waarvan de handel wereldwijd is verboden. Dat geldt voor de handel in mensen en voor enkele wapentypen. Maar daar blijft het bij. Dit geeft te denken, vooral wanneer we de redenen in ogenschouw nemen waarom men begin deze eeuw op het forum van de Volkenbond heeft besloten om bepaalde roesmiddelen wereldwijd te verbieden.

Het verbod op opiaten stamt uit de tijd dat men de koloniale opiumhandel een halt toe wilde roepen en was in de eerste plaats bedoeld als bescherming van Aziatische bevolkingsgroepen. De eerste Opiumverdragen waren gericht tegen de koloniale grootmachten die groot geld verdienden met de opiumhandel, waaronder Engeland en Nederland. Tegen deze koloniale marktverhoudingen zijn de internationale opiumverdragen een effectief instrument gebleken. Maar dat is inmiddels verleden tijd. Tegenwoordig is het aanbod van verboden roesmiddelen voornamelijk in handen van niet-westerse ondernemers, terwijl de afzetmarkt tegenwoordig vooral in het Westen ligt.

Een uniform wereldwijd verbod is niet het meest geëigende instrument om de handel in en het gebruik van deze roesmiddelen optimaal te reguleren. Vooral de steeds hoger opgeschroefde dynamiek tussen de repressieve staatsinstrumenten die voor de naleving van dit mondiale verbod zorgen en het illegale aanbod kunnen worden teruggedraaid wanneer er meer speelruimte komt voor variaties in de reguleringsregimes voor roesmiddelen.

Helaas worden zulke meer fundamentele discussies in het Nederlandse drugbeleid niet of nauwelijks meer gevoerd, onder meer omdat er een overdaad is aan beleidsgericht onderzoek. Dit type onderzoek wordt ingegeven door de korte termijn en het lokale belang van de opdrachtgevers. Het aantal onafhankelijke en vrije onderzoeksopdrachten op dit terrein is opvallend schaars, en dat is jammer omdat men daardoor voorbij gaat aan open deuren waarachter vaak toch nog interessante vergezichten te ontdekken zijn. Bijkomend zou het voor alle verslaafden een grote verlichting zijn wanneer zij eindelijk eens een jaartje worden overgeslagen door het leger van onderzoekers dat via de categoriale instrumenten van hulpverlening voorzien is van een gemakkelijke en praatgrage onderzoekspopulatie. Misschien dat zij dan eindelijk eens op de gedachte komen om zich met hun ziekenfondskaart in de hand bij hun huisarts te melden: voor een medische behandeling.

    • Jan-Willem Gerritsen