Medici

In een lezenswaardige column (W&O 23 sept.) snijdt Louise Fresco het aloude probleem aan van de moeizame communicatie tussen natuur- en maatschappijwetenschappers. Deze scherpe tweedeling enigszins relativerend, merkt zij vervolgens op dat "medici, archeologen en vele anderen al helemaal niet goed te klassificeren' zijn.

Voor zover het medici betreft is duidelijk dat deze in hun opleiding kennis maken met een cocktail van beta-, gamma-, maar ook alfawetenschappen (filosofie, ethiek, geschiedenis). Ondanks het feit dat deze wetenschappen in een medisch curriculum alle betrokken worden op de "mens', hebben zij zeer verschillende uitgangspunten en denkwijzen. Het maakt een groot verschil of het gaat over de biologische basis van de mens, het voelen van een individuele patiënt of het maatschappelijk gebeuren.

Te onderscheiden zijn wetenschappen gebaseerd is op proefondervindelijke feiten met objectiveerbare zekerheden en wetenschappen waarin de mens als persoon voorkomt, dat wordt gekenmerkt door subjectieve onzekerheid. Een interessant tussengebied vormt dat deel van de wetenschappen waarin de mate van waarschijnlijkheid, dus onzekerheid, in getallen kan worden uitgedrukt. Dit is het gebied van de principiële, maar objectiveerbare onzekerheid.

Het is duidelijk, dat al deze drie gebieden in de opleiding tot arts duidelijk vertegenwoordigd moeten zijn, maar dan wel op een wijze, die de verschillende grondslagen herkenbaar maakt. De "zekerheden' van de natuurwetenschappelijke basis in het begin van de opleiding dienen gerelativeerd te worden door de intrinsieke "onzekerheden', die later in de beroepsuitoefening prominent aanwezig zijn.

Diepgaande kennismaking met "objectiveerbare onzekerheden' (in o.a. biostatistiek en epidemiologie) kan daarbij een belangrijke rol spelen, zoals de ervaring met de Nijmeegse studierichting Gezondheidswetenschappen leert. Niet alleen leidt dit tot een vermogen om met alle mogelijke soorten gegevens om te gaan, maar het lijkt ook op zichzelf een vormende waarde te vertegenwoordigen. Zo'n synthetiserende benadering, waarin vanaf het begin duidelijk gemaakt wordt dat er verschillende soorten "waarheden' bestaan, kan een belangrijke bijdrage leveren aan het ideaal dat een arts in zijn praktijk in staat is te handelen met subjectieve zekerheid ondanks de vele onzekerheden waarmee hij te maken heeft.

Het is een boeiende uitdaging om de per definitie interdisciplinaire aard van de geneeskunde zo te incorporeren in de opleiding, dat de door prof. Fresco gewraakte "cultuurkloof' tussen gamma's (maar ook alfa's) en beta's juist gebruikt wordt ter verbreding van de attitude van toekomstige artsen.

Naar mijn mening ligt het hoofdprobleem bij interdisciplinaire contacten en benaderingen in de attitudes van vele beoefenaars van alfa-, beta- en gammawetenschappen. Het gevoel voor elkaars fundamenteel verschillende uitgangspunten is verloren gegaan, zij meten elkaar ten onrechte met hun eigen maten. Zo mogen de beta's, die hun doelstellingen met vele successen bekroond zagen, niet vergeten dat zij maar een deel van de "waarheid' in pacht hebben.

    • Prof.Dr. F.J.M. Daemen