Istriërs voelen zich door Zagreb geplunderd; "Er was nog nooit zoveel politie in Istrië als nu'

ROVINJ, 7 OKT. “Het is een belediging, die we niet kunnen laten voorbijgaan”, meent de voorzitter van de Italiaanse club in Rovinj (oftewel Rovigno). Het gaat geanimeerd toe in het in 1985 met Italiaanse steun gerestaureerde gebouwtje in het centrum van wat eens een buitenpost van Venetië was, maar nu een Kroatisch kustplaatsje op het schiereiland Istrië: boven in een zaaltje is net een delegatie op bezoek van tijdens de etnische zuiveringen van 1946-52 verdreven Italianen. Beneden gebruiken leden van de plaatselijke Italiaanse gemeenschap de koffie, geanimeerd converserend in het lokaal Italiaans dialect, een enkele oudere zelfs in het histrioto, een bijna verdwenen lokale taal hier.

De belediging waarover voorzitter Antonio Pellizer het heeft, is de toespraak die de Kroatische president Franjo Tudjman vorige maand in het verre Zagreb hield ter gelegenheid van wat hij de "vijftigste verjaardag van de aansluiting van Istrië bij Kroatië' noemde. Hij beklaagde zich daar over de in Istrië snel in populariteit toenemende regionale autonomiebeweging en nam geen blad voor de mond bij de veroordeling van dit streven als "irredentisme', een streven naar aansluiting bij Italië. Ook Slovenië, dat thans een noordelijk stukje Istrië in handen heeft, kreeg een strijdlustig gestelde waarschuwing, zich niet in Kroatische zaken te mengen. De gedachte dat Istriërs iets anders zouden kunnen zijn dan Kroaten, noemde Tudjman het resultaat van "Joego-communistische en Italo-fascistische, anti-Kroatische propaganda”. Vooral dat laatste heeft Antonio Pellizer geraakt. “Rovinj was altijd een rooie stad”, meent hij, “vol oud-Spanjestrijders”.

De Italiaanse minderheid in Istrië staat geenszins alleen in haar kwaadheid over Tudjmans recente opmerkingen over Istrië. “De verdreven Italianen en Duitsers van na de oorlog werden deels vervangen door Slavisch-sprekenden van elders in Joegoslavië. Die zijn nu de ijverigste voorstanders van autonomie voor Istrië”, constateert Ivan Pauletta, vertegenwoordiger van de IDS (Istrische Democratische Partij) in het Kroatisch parlement in Zagreb, niet zonder tevredenheid.

De etnische zuivering van het schiereiland Istrië voltrok zich kort na de Tweede Wereldoorlog, toen Tito's partizanen het gebied hadden veroverd op Duitse troepen, met steun van Britse en Franse troepen. De manier waarop dat gegaan is, was tot voor kort nog steeds een officieel taboe in Joegoslavië. Zes-, of twaalf-, volgens sommigen zelfs twintigduizend mensen werden in een ravijn gegooid of anderszins vermoord in Istrië, hetgeen voor 220.000 van de 320.000 inwoners het sein was om in de navolgende jaren te vertrekken. Dat waren vooral Italianen en Duitsers, maar zij niet alleen.

In de twee jaren voor deze gebeurtenissen had Istrië deel uitgemaakt van het Duitse Derde Rijk; daarvóór had het sinds 1918 tot Italië behoord, dat het op zijn beurt van het Oostenrijks-Hongaars imperium had overgenomen. Onder Joegoslavisch bestuur werd van Istrië een klein deel bij Slovenië, een veel groter deel bij Kroatië getrokken - in de multinationale staat Joegoslavië maakte dat allemaal niet zoveel uit. Nu loopt er plotseling een internationale grens, de Sloveens-Kroatische, door Istrië, en menige bewoner van het gebied is daar bitter over gestemd.

“Het leven is hier slecht, zoals overal in ex-Joegoslavië”, zegt Pauletta. “De mensen verarmen, maar dat is eigenlijk niet het probleem. In de jungle kun je gelukkig leven zonder geld. Ons probleem is dat er geen enkel perspectief op verbetering, op de ontwikkeling van Istrië bestaat, nu we te maken hebben met een gecentraliseerd regime in Kroatië, dat ons geen enkele zeggenschap in eigen zaken wil geven”.

Als enig deel van ex-Joegoslavië heeft Istrië de afgelopen zomer enig buitenlands toerisme gekend, voornamelijk Italiaanse dagjesmensen, Hongaren en andere Oosteuropeanen die lang niet zoveel geld hebben achtergelaten als de Duitsers van vroeger, maar toch. Het deel van de inkomsten dat in Istrië achterblijft is echter nog maar vier à vijf procent, tegen dertien vroeger in Joegoslavië, schat Pauletta. De Kroatische regering heeft dringend geld nodig. En niet alleen geld: ook de dienstplichtige jongens uit Istrië moeten, voor zover ze nog niet de benen hebben genomen naar het buitenland, lijf en leden veil hebben voor de Kroatische strijd in de Krajina en Bosnië-Herzegovina.

Het resultaat is een gevoel van onderdrukking: “Er is nog nooit zoveel politie geweest in Istrië als nu”, meent Pauletta. En maar twaalf procent van die agenten komt nog uit Istrië. “Elk ministerie in Zagreb heeft het recht om hier ambtenaren heen te sturen. Van de zeven directeuren van middelbare scholen in Pula (centrum van Kroatisch Istrië, red.) komen er maar twee van hier”. Groot is ook de ergernis over de grote militaire kampen die de Kroatische regering op Istrië heeft ingericht. “Die soldaten lopen 's avonds op straat fascistische liederen te zingen en hebben van de zomer de buitenlandse badgasten lastig gevallen. Nou vraag ik je, is dat een manier om in Kroatië het buitenlands toerisme te bevorderen?”

Terwijl Tudjman en de zijnen in Zagreb dreigen de VN-vredesmacht uit Kroatië weg te sturen en de Servische gebieden met geweld te heroveren, nemen het begrip en geduld van de Istriërs voor deze oorlog zienderogen af. “De nationalistische ideologie moet wel tot oorlog leiden”, meent Pauletta. “Een regime als dat van Tudjman heeft oorlog nodig, als deze voorbij is verzinnen ze wel iets anders om de druk op de ketel te houden”. In Istrië zijn, verzekert iedere inwoner van Rovinj om het hardst, geen moeilijkheden tussen de verschillende nationaliteiten. Iedereen heeft wel grootouders gehad die Duits of Italiaans als eerste taal hadden, en veel van de restaurants en cafés in het plaatsje zijn in handen van (Joegoslavische) Albanezen of Bosniërs - dat kan niemand eigenlijk iets schelen.

Deze nationale onverschilligheid uit zich ook politiek. Bij de verkiezingen in 1990, die Tudjmans nationalistische HDZ (Kroatische Democratische Gemeenschap) aan het bewind brachten, stemde Istrië massaal op de ex-communisten (SDP). Sindsdien is de regionale politieke partij, de IDS, tot wasdom gekomen: zij verkrijgt bij elke verkiezing de absolute meerderheid. “Niet de natie, maar de regio heeft de toekomst in een nieuw Europa”, meent Pauletta. “Ik zeg altijd: mijn bankrekening, mijn minnaressen en mijn nationaliteit zijn mijn privé-zaak”.

Welke vorm dat regionalisme voor Istrië moet aannemen, daar is de IDS intern nog niet helemaal uit. Autonomie binnen Kroatië is een mogelijkheid. Maar verlokkender nog is de gedachte dat Istrië (inclusief het thans Sloveense deel) een Europese regio zou kunnen worden, een soort internationaal gebied waarbij dan eventueel ook de thans Italiaanse havenstad Triëst betrokken zou kunnen worden.

Het zijn deze gedachten - die ook bestaan in de Kroatische kuststreek Dalmatië waar steeds meer mensen het Kroatisch nationalisme als boers en oorlogszuchtig ervaren - die Tudjman vorige maand vermoedelijk tot zijn frontale aanval hebben verleid. De aanleiding was curieus: in 1943 werd in Istrië een antifascistisch comité opgericht, dat de plaatselijke partizanenstrijd leidde, maar eerder van communistische, zeker niet van Kroatisch-nationalistische snit was. De mannen van de IDS hebben de plechtige herdenking van dit historische feit in Zagreb, waar Tudjman zijn gewraakte rede hield, grotendeels geboycot.

Hun eigen herdenking, een dag later in het Istrische Pazin, werd door Tudjman geboycot. Die legde, elders in Istrië, de eerste steen voor de bouw van een spoorwegtunnel, betogende dat “Istrië slechts door Kroatië de weg naar Europa kan vinden”. Veel Istriërs zijn evenwel van mening dat het precies andersom is. Luciono Delbianco, leider van de IDS, stelde in zijn rede onomwonden vast dat “het huidige gecentraliseerde Kroatië niet in staat is zich te ontwikkelen”. Waarmee de wegen van Istrië en Zagreb, voor iedereen duidelijk zichtbaar, uiteen lijken te gaan.

“Op deze manier hoeft Kroatië niet te denken, dat het ooit de weg naar Europa kan vinden”, meent ook Pellizer van de Italiaanse club in Rovinj. “Eigenlijk was het beter onder ons ancien régime”, meent hij. “Nu moet iedereen die een tweetalige Kroatische identiteitskaart, Italiaans en Kroatisch, wil hebben, eerst aantonen dat hij Italiaan is. En Italiaanse scholen kunnen alleen worden opgericht in plaatsen, waar meer dan de helft van de bevolking Italiaans is”. Met 20.000 op een totale bevolking van ongeveer 250.000 Istriërs is dat bijna nergens het geval. Menige Italiaan in Istrië, weet Pellizzer, weigert onder deze omstandigheden de Kroatische identeitskaart en loopt nog steeds met de oude, tweetalige, Joegoslavische op zak. Hijzelf bijvoorbeeld.