Het cliché

In Verschoven stad beschrijft Günter de Bruyn, een Duitser, onder andere de welverdiende verwoesting van zijn vaderland in '45.

Dat jaar werd hij negentien. Hij was in het leger, lag één dag aan het front en liep een hoofdwond op. Op 8 april schreef hij zijn moeder vanuit een lazaret bij Praag en zij kréég die brief! De post bleef functioneren tot de laatste dag. Net als de medische stand. Op 8 mei 1945 werd soldaat De Bruyn, gekweld door hoge koorts, geopereerd aan zijn amandelen.

Tijdens zijn zwerftocht terug naar Berlijn werkte hij enige tijd op een boerderij. De baas van het bedrijf was anderhalf jaar niet thuis geweest. Er was een kind dat hij nooit had gezien. Niemand wist of hij nog wel in leven was.

En dan de terugkeer van die man: "Voordat hij naar zijn gezin was gegaan, had hij over zijn akker gelopen, en terwijl hij rugzak en uniformjas aflegde, zei hij dat de rogge gemaaid moest worden, en pas daarna begroette hij zijn vrouw, zijn vader en zijn kind.'

In een andere context was dit wellicht een vreselijk cliché, een botte anecdote over de domme of kranige boer. In de context van dit boek is het gewoon hoe het toen ging.

De zorgvuldige ironie van De Bruyn is een lust om te lezen. Over clichés zegt hij: "Om ze te vermijden zou je goed moeten zijn in het bedenken van nieuwe.'