Getij en weder

Als er aardgas gewonnen wordt uit de Waddenzee kan de bodem daarvan de komende decennia lokaal een paar centimeter dalen. Berekeningen hebben aangetoond dat natuurlijke aanzanding en opslibbing dat tempo kan bijhouden en dat er van die bodemdaling zelf niet al te veel gevaar te duchten is.

Bovendien, zei een waddengasspreker laatst op een symposium, zinken die paar centimeters in het niet bij de geweldige jaarlijkse variatie in getijhoogte langs de Nederlandse kust. Hij liet het zien op een dia van het opgetreden hoog en laagwater zoals Rijkswaterstaat dat registreert en in jaarboeken bijeen brengt. Voor Harlingen in dit geval. De hoogwaterstanden zoals die in de loop van een jaar werden gemeten vertoonden een spreiding van een meter. Vaak komt het Harlingse hoogwater dagenlang niet verder dan 80 centimeter boven NAP, maar er zijn ook perioden waarin het er dagenlang 180 centimeter bovenuit stijgt.

Het was een mooie grafiek die te snel werd weggedraaid voor weer andere argumenten. Het aardige was dat er de bekende 14-daagse ritmiek van de maaninvloed in was te zien - elke twee weken springtij - maar dat er zo op het oog ook allerlei andere ritmiek optrad. Zo had het er veel van dat de gemiddelde waterstand bij Harlingen 's winters hoger was dan 's zomers. Het leek erop dat de Noordzee 's winters hoger tegen dijken en duinen staat dan 's zomers.

Bij Rijkswaterstaat voor de zekerheid de jaaroverzichten 1989, 1990 en 1991 opgevraagd. Overtuigend is het effect niet maar toch wordt het beeld wel bevestigd. In de periode december tot en met maart staat het water bij Harlingen gemiddeld twee of drie decimeter hoger dan in de zomer, in 1990 was dat het duidelijkst.

Eindelijk een goede aanleiding om de geregistreerde waterstanden eens te vergelijken met de voorspellingen die Rijkswaterstaat elk jaar doet in de "Getijtafels voor Nederland' (SDU). Het analyseren van vele bladzijden cijferkolommen leidt snel tot een lichte staat van waanzinnigheid maar zoveel lijkt wel duidelijk dat de getijtafels de hier beschouwde jaarlijkse gang in het getij niet voorspellen. Elk jaar opnieuw laten de rekenaars van Rijkswaterstaat zich door de winterse feiten verrassen.

Aannemende dat de Getijtafels uitsluitend op astronomische gegevens gebaseerd zijn en dus het zogeheten "astronomisch getij' geven is wel duidelijk wat hier aan de hand is: er moet sprake zijn van een meteorologische verstoring van de regelmaat. Iets voor het KNMI.

Drs. Baltus Zwart ziet drie spelers in het spel: windsnelheid, windrichting en luchtdruk. Dat het harder waait in de winter dan in de zomer wil de Nederlander wel geloven. Dat de wind daarbij veel of overwegend uit de richting west of noordwest waait maakt Zwart, voor de vuist weg, aannemelijk aan de hand van zijn historische analyse van stormen en zware stormen. Vooral noordwesten wind, die over een uitgestrekt vrij zeeoppervlak komt aanwaaien, leidt tot een forse "opzet'.

Enfin: 't is allemaal precies zoals de amateuronderzoeker zelf al dacht. Maar dan komt het: de luchtdruk. Ook de luchtdruk is van invloed op de waterstand. Naslagwerken melden het volledigheidshalve, weten het heel ongelukkig te vermengen met het gegeven dat ook in de atmosfeer miniemegetijbewegingen optreden, maar verzuimen te vermelden hoe groot de invloed is. Hij is groot. Statistisch onderzoek heeft aangetoond dat bij een depressie met een diepte van 970 hectopascal (millibar) een extra waterverhoging van 30 centimeter is te verwachten. (Wie zelf zijn tafels wil aanpassen aan de barometerstand: bepaal het verschil tussen de waargenomen luchtdruk in hectopascal met de waarde 1013 en vermenigvuldig dat met 0,7. Dat levert de extra stijging of daling in centimeters. Bij lage luchtdruk komt het water omhoog, hoge luchtdruk houdt het laag.)

Zwart tekent erbij aan dat het luchtdruk-effect maar gering is vergeleken met de invloed van de wind (die het water makkelijk een of twee meter kan opstuwen) en dat er maar een heel gering trendmatig verschil is tussen winter en zomer. 's Winters is de luchtdruk gemiddeld 1,2 hectopascal lager. Er komt bij, zegt hij, dat Rijkswaterstaat dit soort meteorologische effecten in zijn getijberekeningen verwerkt.

Dus toch! De Getijtafels van Rijkswaterstaat geven helemaal geen astronomisch getij maar houden rekening met het gemiddelde weer. ""Sterker nog'', zegt ir. John de Ronde van de Dienst Getijdewateren, ""we kùnnen bepaalde meteorologische effecten er niet buiten houden.''

Sinds 1980 berekent de dienst het getij met behulp van een harmonische analyse van het geregistreerde getij van de vijf laatste jaren. De waargenomen ritmische getijbeweging stelt zij samen uit 111 harmonische bewegingen waarvan een groot deel op grond van astronomische inzichten gevonden wordt. De astronomie reikt de periode van de sinus-bewegingen aan. (De Getijtafels geven de karakteristieken van de 32 toonaangevende componenten, de belangrijkste zijn M2: de beweging van de maan om de aarde, en S2 de gang van de aarde om de zon.)

Ritmische invloeden die in periode overeenkomen met belangrijke astronomische effecten kunnen niet van die effecten worden gescheiden en het duidelijkst is dat met de jaarritmiek. Inderdaad bevatten de getijtafels dus een kleine meteorologische component. Ook fluctuaties in temperatuur en saliniteit van het zeewater met een heldere jaarritmiek kunnen in principe in de getijberekeningen doorwerken, zoals ook het voorspelde hoog- en laagwater in Hoek van Holand een kleine Rijncomponent heeft. Dat er toch een grote discrepantie tussen voorspeld en opgetreden getij blijft bestaan zit hem in de grillige ritmiek van de Nederlandse stormen. Je weet dat ze komen, maar nooit wanneer.

    • Karel Knip