De metamorfose van Utrecht; Funshoppen, pilsje drinken onder de Dom en dan de disco in

Ooit was Utrecht de ”Koningin van de dode steden'. Nu kun je er de klok rond feesten. Bistro's en terrasjes verrezen aan de Oude Gracht, twintig jaar geleden nog een ”vieze stinksloot', die nu de Goudkust wordt genoemd. Maar Utrecht wil ook een exclusieve winkelstad worden.

De Italiaanse restauranteigenaar Mario Nistro moet enige tijd in een roes hebben geleefd. In het hart van het Utrechtse uitgaansleven, de werfkelders aan de Oude Gracht, beschikte hij over een van de laatste leegstaande kelders; recht tegenover het stadhuis. Hier was nog ruimte voor een ”multifunctionele horecavoorziening'. Maanden werd er gegraven en voerden dekschepen het zand af. Toen Nistro ook bij de buren aan het graven sloeg en de kelder de afmetingen van een zaal kreeg, maakte de gemeente een eind aan de droom. Nistro moest met zijn eigen kelder volstaan.

Voor de Italiaanse restaurateur is zijn overbuurman het grote voorbeeld. Onder het stadhuis, in de vroegere raadskelders, zit Fellini, de populairste discotheek van de stad. Ook deze zaak werd aanvankelijk zonder toestemming uitgebreid. Fellini draait nu op volle toeren: als de ambtenaren naar huis zijn, dreunen de vloeren. Hier is de metamorfose van Utrecht voelbaar. In de stad die vanouds een faam genoot van grijsheid en conservatisme, slaat vermaak nu de klok. De Oude Gracht, twintig jaar geleden nog een ”vieze stinksloot” genoemd, heet nu de Goudkust.

De groei van de vermaakindustrie doet zich in heel Nederland voor, maar gaat in Utrecht wel heel snel. De stad had dan ook een achterstand. Eeuwenlang leidde zij een kwijnend bestaan, de stagnatie in 't Sticht was spreekwoordelijk. ”Koningin van de dode steden' werd Utrecht eind vorige eeuw genoemd. Ook de komst van stipte NS-medewerkers bracht de stad weinig frivoliteit. De oprichting van de Jaarbeurs in 1916 zorgde weliswaar voor enige verlichting, maar in ondernemerskring ging tot ver na de oorlog nog de mop van de twee zakenlui die tevreden in een bar zitten, maar om elf uur moeten opstappen omdat de barman nog even een pilsje in Amsterdam wil gaan drinken.

De centrale ligging van Utrecht was jarenlang haar handicap. Terwijl in Groningen de mensen geen kant op kunnen en het daar dus wel gezellig moeten maken, zit de Utrechter in een mum van tijd in Amsterdam of elders.

Rond 1970, met de bouw van Hoog Catharijne en het Muziekcentrum, zette een verandering in. De toenmalige D66-wethouder en latere minister H.J. Zeevalking wees als een van de eersten op de noodzaak om de oude binnenstad te koesteren teneinde de concurrentie met het nieuwe winkelcomplex te overleven. Die noodzaak was er temeer, omdat bestaande terrassen op het Stationsplein en het Vredenburg met de bouw van Hoog Catharijne zouden verdwijnen. Een voetgangersgebied zou zorgen voor een overgang tussen het HC-complex en de oude stad. Broese Kemink gaf in 1974 een belangrijke impuls met de vestiging van de grootste boekhandel van Nederland op de stadhuisbrug.

Zeevalking - zelf een trouw bezoeker van de plaatselijke horeca - voorzag bistro's en terrasjes aan de toen nog vrijwel ongerepte werven van de Oude Gracht. Zijn visioen is nu realiteit.

Op warme zomerdagen vormen de werven van de Oude Gracht een reusachtig openluchtrestaurant met een wonderlijke akoestiek. In de wetenschap dat de nachttreinen terugrijden kunnen studenten op vertoon van hun OV-kaart gratis bij Fellini naar binnen, waar het meestal dringen is. Iets verder, op het Wed, is er helemaal geen doorkomen meer aan omdat de straat 's avonds vol staat met drinkend volk. Voor menig buurtbewoner een gruwel.

Je kunt tegenwoordig in Utrecht de klok rond feesten. De gemeente heeft de sluitingstijden vrijgegeven, zodat het lawaai van vertrekkende gasten gespreid wordt en de politie niets meer hoeft te controleren. 't Bolleke heeft in de Nobelstraat het pionierswerk van het Pandje overgenomen en is vaak tot na zes uur open. Een exotisch alternatief is de Zwarte Zee in de Jacobijnenstraat, dat ongeëvenaard is in haar soberheid. Na afloop van de concerten in het jongerencentrum de Vrije Vloer stroomt de Zwarte Zee vol. En voor een frisse start kan men dan weer terecht bij Holiday Inn. Liefhebbers van het nachtleven moeten evenwel genoegen nemen met morsige cafés of volle disco's. De luxe zaken voor fijnbesnaarden, zoals het Polman's Huis, hebben brave sluitingstijden.

Uiteraard zijn er in Utrecht ook horecagelegenheden die de speelbal zijn geworden van gretige lieden, zoals de Hooghe Heeren bij de Stadsschouwburg. Vroeger zat hier onder de naam Flora een zaak van standing, waar bezoekers van de schouwburg en artiesten graag vertoefden. Met de nieuwe eigenaars werd het een opzichtig café met veel marmer en chroom en vorige week werd het faillissement uitgesproken.

“Het is doodzonde”, zegt schouwburgdirecteur M. Carpentier Alting. “'s Middags zaten er oude dametjes thee te drinken en we maakten er vaak afspraken. Maar hoe later het op de avond werd, hoe meer penose er over de vloer kwam.”

Niet alleen op de grachtenwerven, ook elders in de stad breiden de terrassen zich uit. Zelfs aan de voet van de Dom zijn zitjes verrezen, iets wat tien jaar geleden nog heiligschennis was. Een ”terrassenexplosie', volgens Dr. J. Oosterman. Hij promoveerde eind vorig jaar op een onderzoek naar het gebruik van de openbare ruimte voor het vermaak. Vooral de Utrechtse terrassen hadden zijn aandacht. Uit zijn ”Parade der Passanten' blijkt dat in Amsterdam en Groningen 0,16 procent van het oppervlak van de binnensteden door terrassen wordt ingenomen, in Utrecht is dat 0,31 procent en Maastricht spant de kroon met 0,35 procent.

In tegenstelling tot Maastricht, dat zijn Vrijthof, St. Amorsplein en Onze Lieve Vrouweplein tot toplocaties heeft ontwikkeld, heeft Utrecht tot nu toe geen ”pleinhoreca'. Dat zal veranderen als Neude en Janskerkhof autovrij worden. Op 1 januari is de Neude aan de beurt; het eerste grand café is hier vorige maand al open gegaan.

“Buiten de werven verschenen de terrassen in Utrecht tot nu toe tegen de verdrukking in”, zegt A. Christiaanse, bestuurslid van Horeca Nederland en onder meer eigenaar van 't Oude Tolhuys dat aan de rand van de stad ligt. De binnenstad heeft nog steeds het nauwe stratenpatroon van de middeleeuwen, waardoor er weinig ruimte is. De gemeentelijke horeca-verordening bepaalt dat een terras minimaal een meter diep moet zijn en dat voor voetgangers 1,5 meter vrij moet blijven. “Geen stoep in Utrecht is zo breed”, aldus Christiaanse.

De hoge onroerend-goedprijzen kunnen een negatieve invloed hebben op het karakter van het uitgaansleven, waarschuwt Christiaanse. “Als het te duur wordt, komt er alleen nog maar industriële horeca, zoals Pizza Hut en McDonalds. Die vind je in Arnhem en Eindhoven ook. Daar komen de mensen niet voor. 't Ambachtelijke heb je nodig voor de afwisseling.”

Maar er is nog onversneden ambachtelijke horeca, waar de tijd lijkt stil te staan. Het fraaiste voorbeeld is café Van Wegen in de Lange Koestraat in de roemruchte Wijk C. De zaak is 110 jaar oud en sinds zeventig jaar ”in de familie'. De toog en de mahoniehouten lambrizering stralen degelijkheid uit. Er komen klanten met gegroefde koppen; vroeger werden ze als ze vloekten meteen de deur uit gezet; tegenwoordig moeten ze eerst afrekenen. Van Wegen tapt een van de goedkoopste pilzen van de stad, maar “je moet er voorzichtig zijn met fooien”, weet G. Jansen, hoogleraar stadsstudies in Utrecht en gepromoveerd op ”de eeuwige kroeg'. “Als je te veel geeft, willen ze het niet.” In de ”nieuwe gezelligheid' van Utrecht speelt dit café geen rol, want het sluit 's avonds om acht uur.

In de Lange Viestraat beleefde de Bijenkorf verleden week haar ”dolle dwaze dagen'; alle dagen files voor de parkeergarage. Aanvankelijk waren er grote zorgen over de kansen van deze locatie ten opzichte van Hoog Catharijne en de rest van de stad; nu weet de Bijenkorf niet hoe snel ze kan uitbreiden. Om de hoek opent binnenkort de kristal- en porseleinhandel Focke en Meltzer een filiaal. De bezoekersstromen zijn in dit gebied de afgelopen zes jaar verdubbeld.

Utrecht is ook een stad voor fun-shopping geworden. Van de circa 27 miljoen mensen die Hoog Catharijne jaarlijks bezoeken sijpelt een fors deel door naar de oude binnenstad. Daar zijn nog de kleine winkels te vinden met een opmerkelijk assortiment. Vaak in straten aan de rand van het huidige voetgangersgebied, zoals Zadelstraat, Servetstraat, Vismarkt, Oudkerkhof (de ”PC Hooftstraat van Utrecht'), Schoutenstraat en Predikherenstraat.

Om de mensenmassa te kunnen verwerken moet de stad ingrijpende verkeersmaatregelen treffen. Dat gebeurt niet altijd naar de zin van de middenstand: parkeerplaatsen verdwijnen zonder dat er een alternatief is. Niet alleen de binnenstad gaat op de schop, ook Hoog Catharijne, dat twee weken geleden haar twintigjarig bestaan vierde, moet er aan geloven. Eigenaar Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds is bezig met een face-lift; het interieur krijgt frissere kleuren en enge nissen verdwijnen. Maar de gemeente wil meer: een doorbraak van het station over de begane grond naar het Vredenburg. Het moet een aangenaam alternatief worden voor de mensen die niet door de voetgangertraverse willen. Voor veel NS-klanten is die traverse een dwangbuis. Het ABP vreest echter dat de nieuwe promenade teveel concurrentie betekent voor zijn goudader. Een van de favoriete argumenten van wethouder G. Mik van stadsontwikkeling is dat de traverse op hoogtijdagen de toeloop niet aankan en politie het voetgangersverkeer moet regelen.

De reconstructie in en rond Hoog Catharijne, het Utrecht City Project (UCP), moet niet alleen de sociale veiligheid vergroten, maar kan ook een ander mankement van het winkelcomplex verhelpen. HC is gericht op massale koopstromen en herbergt vrijwel uitsluitend winkels van filialen die in alle steden te vinden zijn. Utrecht bloeit in the-middle-of-the-road. Met het UCP wil de gemeente 25.000 vierkante meter extra winkelruimte (ruim een derde van het HC-bestand) realiseren, juist voor exclusieve winkels. Als het aan de Kamer van Koophandel ligt wordt een deel van dat volume in de binnenstad tot stand gebracht. Want ook hier is weinig exclusiviteit te bespeuren. “Als de mensen op sjiek willen, moeten ze niet in Nederland zijn, maar in Brussel, Keulen of Düsseldorf”, zegt Th. Poort, eigenaar van een bijna honderd jaar oude winkel in poppen, speeldozen en servies aan de Lijnmarkt. “Utrecht is daar geen stad voor. Nóg niet, als ik optimistisch ben.”

Er zijn ook Utrechters die het uitbundig straatvertoon met reserve gadeslaan. Antiquair M. Lapoutre in de Schoutenstraat is een ruimhartig type: hij verkocht in de jaren zestig als enige provobladen en het aanstootgevende literaire tijdschrift Gandalf. Maar hij heeft geen goed woord voor de eet- en drinkcultuur aan de Oude Gracht. Zelfs over de Nieuwe Gracht, die gevrijwaard bleef van enig vertier en een toonbeeld van statigheid is, heeft hij een hard oordeel. “Vroeger, toen het nog een beetje vervallen was, had de Nieuwe Gracht een mooie sfeer. Nu lijkt het wel de Reeperbahn.”

Prof. Jansen beveelt de volgende etablissementen aan:

België (Oude Gracht), Luden (Janskerkhof), Oudaen (Oude Gracht), Jan Primus (Jan van Scorelstraat; ”In 1974 het eerste gespecialiseerde biercafé.”), Polman's Huis (Jansdam), Reünie (Wed), Springhaver (Springhaverstraat), de Vriendschap (Wed-), Zeezicht (Nobelstraat), De Zes Vaatjes (Mgr van de Weteringstraat. Eigenaar Albert de Rijk: ”Wij zijn géén kroeg.”)

Volgens Frans Fagel, eigenaar van restaurant Moustache, heeft Utrecht drie uitstekende restaurants:

d' Coninck van Poortugael (Voorstraat), Jean d' Hubert (Vleutenseweg), Wilhelminapark

Maar er zijn voldoende restaurants met een goede prijs-kwaliteit verhouding:

Antonio, Grieks (Oudkerkhof), Chez Jacqueline (Korte Koestraat), Dendermonde (Biltstraat), Domus Florentina, Italiaans (Oude Gracht), Luden (Janskerkhof), Moustache (Drieharingstraat), Polman's Huis (Jansdam), Pomo, Surinaams (Voorstraat), Selamat Makan, Indisch (Voorstraat), Tajmahal, India's (Zadelstraat)

Bijzondere winkels zijn:

Baars, passementen (Lijnmarkt), Bebop, jaren vijftig (Oudegracht), City of Glass, glas (Domstraat), Exparte, sieraden (Minrebroederstraat), Kleinjan, oud glaswerk en zilver (Vismarkt), Lily Conemans, kleding (Donkere Gaard Poort) serviezen, poppen en speeldozen (Lijnmarkt), Queens, lampen, (Zadelstraat), Shabanou, mode (Choorstraat), Stigters, mode (Oudegracht), Tikous Tikous, schoenenatelier (Zakkendragerssteeg), Verheul, schoenenatelier, (Predikherenstraat), Wakefield, kleding (Minrebroederstraat)

    • Bert Determeijer