De begenadigde hand van mijn grootste held

Zo koud als het toen in Chicago in december 1991 was, zo koud is het nooit meer geweest. Binnen, in het Chicago Stadium, heerste een verwarmende sfeer toen ik een uur voor een wedstrijd van de Chicago Bulls aan de rand van de speelvloer de warming-up volgde van Michael Jordan.

De temperatuur steeg en mijn hartslag versnelde zijn ritme, toen me een plaatsje werd gegeven op nog geen twintig meter van de basket. Ik werd overweldigd door lawaai, licht, sensatie en sentimenten toen de Bulls werden gepresenteerd en Michael Jordan als laatste en overtreffende trap door een volgspot de arena werd ingeleid.

Angstaanjagend was Jordan. Hij holde en smeet zijn lichaam langs en over lijven. Alles schreeuwde en tierde in hem. Elke spier, elke zenuw. Hij sprong en zweefde hoog boven mij, over mij heen naar de basket. En hij scoorde. Altijd scoorde hij. Hard en schitterend. Zo bezeten had nog niemand gespeeld.

De lange tong die uit zijn mond hing, wanneer hij dreigde, wanneer hij de aanval inzette, wanneer hij scoorde. Het beest kwam los in hem wanneer hij de bal had. Het kind kwam los in mij. De controle was weg. Emotie trilde los. Strijd tegen tranen die ik niet wilde verliezen. Misschien omdat hij mij pijnlijk diep raakte. Zo'n fantastische sportman had ik willen worden. Zo'n held.

In de kleedkamer moest ik aansluiten bij de andere journalisten. Hij stond daar in zijn mooie, grote, zwarte, blote lijf te glimmen. Ik bekeek hem van onder tot boven en terug. Ik wilde hem helemaal. Ik wilde alles van hem zien. In zijn linker oorlel droeg hij een briljantje met het cijfer 23, zijn nummer.

Ik schrok toen ik aan de beurt was. Ik wilde alleen maar naar hem kijken. Zo nerveus, zo verlegen en bang als ik ben. Duizend vragen, maar nu niet meer. Hij keek me aan.

Zomaar vroeg ik hem wat hij vond van het hem ongunstig gezinde boek The Jordan Rules. “Heb je het gelezen”, vroeg hij. Ik schrok, ik moet ge- bloosd hebben. “Nee, niet helemaal.” Dan moest ik maar eens terugkomen.

Drie dagen later stond ik er weer. Jordan was minder schitterend geweest dan de eerste keer. Het wordt nooit meer zo mooi als het geweest is. Van teleurstelling geen sprake. Michael Jordan stelt nooit teleur. Alleen als hij stopt.

Dat beest, dat oermens, die primaire acties en reacties. Daar staat je verstand bij stil. Dat is wat sport me bijna niet meer biedt. Dat is waarnaar ik verlang. Sinds Chicago meestal vergeefs. Naar het leven dat leeft in vrijheid.

Jordan herkende me. Hij wist nog wat ik had gevraagd. Ik had het boek inmiddels uit. Maar gelukkig hoefde ik geen antwoord te geven. Het interesseerde hem niet.

Ik wachtte totdat iedereen zijn vraag had gesteld. Plotseling stond hij naast me. Hij vroeg waar ik vandaan kwam. Hij was lang, groot, trots en sterk, maar gelukkig aardig.

Ik zei dat ik had genoten, dat ik nog nooit zo had genoten, dat ik ontroerd was, dat alleen Pelé, Maradona, Neil Young, Lou Reed, Jim Morrison, Milan Kundera, Charles Bukowski en James Baldwin me zo hadden kunnen raken.

Ik schaamde me. Hij keek me aan, op me neer. Maar hij praatte terug. Hij zei iets over pijn in zijn hand en zijn rug. Hij vertelde het liever niet, zei hij. Pijn is geen excuus.

Een veiligheidsman verstoorde de roes. Jordan kon naar huis. Ik liep mee, zomaar, door het verlaten stadion, omringd door zeven veiligheidsmensen in oranje hesjes. Bij een deur bleven we staan.

De deur zwaaide open. Een donker gat. Kou drong naar binnen. Michael Jordan draaide zich om en schonk me zijn grote, brede, begenadigde hand. Hij keek me aan, zei iets en snelde naar zijn auto, een zwart sportmodel. Een BMW, kenteken MJ-23-JJ. Michael Jordan, zijn rugnummer en zijn vrouw Juanita Jordan.

Hij liet de motor ronken en spoot weg. De nacht in. Zwarte jongetjes in extase sprongen schreeuwend opzij. Het was koud. Ik bibberde.