Bedelen verboden

In de drukke avondspitstrein van Florence naar Arezzo is één wagon opvallend leeg. Er zit welgeteld een familie van negen personen in waarvan de vrouwen kleurrijke rokken, hoofddoeken en glinsterende armbanden dragen. Kinderen rennen in hun blote blinkerd rond. Een van hen heb ik eerder gezien in een voetgangerstunnel waar het de hand ophield. Ik ga zitten.

Het hoofd van de troep is een ongeveer vijftigjarige vrouw wier pikzwarte ogen een gezag uitstralen dat mij ter plaatse verzengt. Ze zit breeduit. Als ze het hoofd wendt om een kind toe te schreeuwen, bekijk ik steels haar vreemd gebolde schoot die gevuld ligt met brede slappe buikplooien als een opgeduwde deken.

Naast het gezag zit een magere stokoude vrouw met een mummiekleurige huid die een baby op schoot houdt. Haar skeletdunne vingers strengelen zich rond de rug van de zuigeling ineen. Kind en best lachen geluidloos naar elkaar: twee tandeloze open monden die geen klank van node hebben om elkaar te kunnen verstaan. De enige man in het gezelschap zit in zijn eentje in een coupé, met zijn rug naar het gangpad. Uit het gerinkel dat van die kant opklinkt, maak ik op dat hij geld zit te tellen.

Er zijn twee meisjes van ongeveer zestien jaar. Het ene is een fel kind met een spits gezicht en geblondeerd haar. Zij is de enige die er verzorgd en schoon uitziet. Het andere is een traag donker meisje dat ver van haar familie vandaan uit een raam leunt. Ze is van een welige schoonheid en zo volgroeid dat ze nu al model zou kunnen staan voor een beeld van Moeder Aarde. Maar haar ogen staan verschrikt; alsof dat veel te snel gerijpte lichaam haar verraste en gevangen nam. Naar haar gezicht te oordelen lijkt ze mij zwakbegaafd. Ze heeft dik, zwart krullend haar dat past bij een godin. Het hangt in een zware vlecht langs haar rug af en waait in sierlijke wimpels voor haar gezicht. Als ze naar de voorbijglijdende heuvels kijkt, zingt ze zacht. Soms beweegt ze haar heupen in het ritme mee. Dit kind ademt tragiek uit, alsof ze, behalve van haar lichaam, van nog veel onnoembaarder dingen is geschrokken.

Zo gauw ik met een zakje snoep knisper, komt het geluid van rennende blote voeten op mij af. Zes bedelnaphandjes met vuile nageltjes wiegen professioneel onder mijn neus. De buit wordt aan de gezagsdraagster getoond. Die lacht een mond vol goud bloot.

Plotseling grist de man die het geld telt al zijn munten van de bank, bergt ze weg en leunt slapend achterover. Een controleur komt binnen. Nog voor hij de plaatsbewijzen aanpakt, begint hij de leden van de clan te tellen en bukt daartoe ook onder de banken. Dan pakt hij van het gezag de kaartjes aan, telt die eveneens en schreeuwt dat drie kaartjes, waarvan twee voor kinderen, te weinig is. De gezagsdraagster neemt de slachtofferhouding aan. Haar felle ogen staan hulpeloos vragend als kon ze werkelijk niet verder tellen dan drie. De controleur mag een heel scala van Italiaanse verwensingen uit zijn mond laten rollen, het pleit is al eeuwen beslecht.

Het donkere meisje draait haar hoofd en kijkt droefgeestig naar de schreeuwende controleur. Stille tranen lopen over haar onnozele gezichtje. Ze lijkt niet eens te weten dat ze huilt.

De mummie schouwt met een serene blik, vlak langs het hoofd van de spoorwegbeambte, in het oneindige. Toch geeft de man zijn verzet niet op; tieners en kinderen moeten hun reis op het balkon voortzetten. Zo bevolen, zo gedaan. Maar niet langer dan tot de man uit het zicht is. Drie minuten later is iedereen weer in het compartiment terug.

Het geblondeerde meisje geeft met een boze uitdrukking op haar gezicht een van de rennende blootlopers een tik op de billen. Dan drapeert ze een sjawl vol kwastjes rond haar hoofd en gaat, met haar handen in de zij en de kleine boezem uitdagend naar voren, zwijgend tegenover de man staan die weer aan het tellen is. Ze steekt haar kin omhoog en begint te schelden. De man telt onverstoorbaar door. Pas als het meisje bukt en een muiltje van haar voet trekt, heft hij in afweer een arm voor zijn hoofd. Het muiltje vliegt tegen de zitting. Met kwade stappen loopt het meisje op één muil naar de donkere schone voor het raam, geeft haar een duw en fluistert iets in haar oor waardoor de ander nu ook nog hartverscheurend zielig begint te snikken.

Bij een tussenstation komen twee goedgeklede vrouwen met mappen onder de arm, lachend en pratend binnen. Zodra ze de zigeuners opmerken, houden ze op met praten en lopen door naar het volgende compartiment.

Halverwege het traject verlaat de geblondeerde tiener met de tegenspartelende kinderen de wagon. Als ze even later terugkeren, zijn de kinderen drijfnat van een wasbeurt. Ze schudden als hondjes hun hoofden droog. De vloer komt vol natte voetafdrukken.

Arezzo. Het gezag staat op. De buikplooien vallen als een naar buiten gestulpte buidel neer en bemoeilijken haar het lopen. Toch lijkt de vrouw jonger dan ik dacht. Is zij misschien de moeder van de baby? De kinderen springen uit de trein. Ze rennen rakelings langs de perronrand, zonder dat iemand er iets van zegt. Hun bedrevenheid in dit spelletje verraadt dagelijkse oefening. Zodra ze mij zien uitstappen steken ze hun handjes op voor meer snoep. Maar het gezag verbiedt hun het bedelen.

    • Monica Metz