Twijfel over beboeten van spijbelaars

DEN HAAG, 6 OKT. Ouders van spijbelaars moeten financieel worden gestraft, bijvoorbeeld door ze te korten op de kinderbijslag. Dat stelde het CDA gisteren voor in een Kamerdebat over de wijziging van de leerplichtwet. Het CDA opperde eerder al dat notoire spijbelaars later geen aanspraak mogen maken op een uitkering, omdat ze zelf hun toekomst op de arbeidsmarkt moeilijker hebben gemaakt.

Niet de ouders maar de spijbelaar zelf moet worden aangepakt, vindt de Tweede Kamer. Ze stemde gisteren in met een wetsvoorstel dat leerlingen vanaf twaalf jaar die spijbelen in het uiterste geval kans lopen op een boete of een alternatieve straf. In het oorspronkelijke wetsvoorstel was zelfs sprake van celstraffen voor chronische spijbelaars.

Achter deze voorstellen schuilt het idee dat het schoolverzuim hoog is, dat scholen niet hard genoeg optreden tegen spijbelaars en dat spijbelen ertoe bijdraagt dat jaarlijks ongeveer dertigduizend leerlingen het onderwijs voortijdig, dus zonder diploma, verlaten.

Onderwijs-onderzoekers bestrijden echter dat sancties effect hebben. “Straffen kan helpen als je mensen iets wilt afleren. Het is niet effectief als je mensen ertoe wilt brengen iets te doen”, aldus dr. E. Roede van het SCO Kohnstamm Instituut van de Universiteit van Amsterdam. Volgens hem is het bovendien niet aangetoond dat er een sneeuwbaleffect bestaat die een leerling die af en toe spijbelt tot notoire spijbelaar maakt en vervolgens tot "drop out'.

Ook onderwijsonderzoeker drs. B. Wilbrink twijfelt aan de effectiviteit van wat hij noemt “barbaarse voorstellen”. “Pedagogisch gezien zullen deze maatregelen eerder negatief werken dan positief. Spijbelen betekent dat leerlingen met de voeten kiezen. Kennelijk voelen ze zich niet thuis op school. Dan moet je daar iets aan doen.”

Uit onderzoek van het CBS en het Kohnstamm Instituut blijkt overigens dat schoolverlaters uit de laatste klassen van HAVO en VWO het later helemaal niet zo slecht doen. De werkloosheid is niet hoger dan onder leerlingen die hun school direct afmaken en ze maken ook bijna altijd hun opleiding later toch af. Alleen het niveau waarop ze werken is wat lager dan de leerlingen die niet voortijdig afhaken.

Hoeveel spijbelaars Nederland telt, wordt niet precies bijgehouden. De onderwijsinspectie controleert wel of een school zijn spijbelaars noteert, maar telt de aantallen niet op. Uit recent onderzoek van het Kohnstamm Instituut blijkt dat leraren de indruk hebben dat tien procent van de leerlingen spijbelt. De leerlingen zelf schatten het aantal op 35 procent, van wie 10 procent regelmatige spijbelaars. Op het voorbereidend beroepsonderwijs wordt wat meer gespijbeld dan op MAVO, HAVO en VWO.

Volgens de socioloog dr. G. de Vries, die onlangs promoveerde op "Het pedagogisch regiem', is de modale impressie “dat het spijbelen in Nederland in de loop van de jaren zeventig is toegenomen als onderdeel van vrijere omgangsvormen en onder invloed van veranderende normen van ouders. (...) Maar de modale indruk is tevens dat spijbelen in de jaren tachtig gelijk is gebleven of afgenomen.”

Roede wijst erop dat je duidelijk onderscheid moet maken tussen incidentele en notoire spijbelaars. “Veel leerlingen blijven wel eens een dagje weg. Daar moet je niet tegen optreden, dat hoort bij de schoolcultuur. Het is hooguit lastig voor de administratie. Slechts een klein deel van de spijbelaars verzuimt vaak en is een maatschappelijk probleem.”

Om daar wat aan te doen moet je volgens Roede geen harde maatregelen tegen de leerlingen treffen, want “dan bereik je alleen de incidentele spijbelaars, en niet de groep waarom je je de meeste zorgen maakt”. Hardnekkig spijbelen kun je voorkomen door er al in de laagste klassen voor te zorgen dat er geen reden is om weg te blijven. “Roosters moeten bijvoorbeeld geen aanleiding geven weg te blijven, dus geen tussenuren inplannen en op maandag en vrijdag niet te zwaar. Verder is het van belang consequent te noteren wie wegblijft.” Op leerlingen die eenmaal hardnekkig spijbelen heeft de school volgens hem nauwelijks nog invloed. “Die moet je proberen erbij te houden, door ze vóór de leerplicht is afgelopen een vorm van oriëntatie op de maatschappij te geven.”

    • Birgit Donker