Prachtige zang in Orfeo ed Euridice in esthetiserende regie van Peter te Nuyl; Orfeo's liefde verliest het van de kunst

Voorstelling: Orfeo ed Euridice van C.W. von Gluck door de Nederlandse Opera en het Ned. Kamerorkest o.l.v. Hartmut Haenchen m.m.v. Brian Asawa, Christiane Oelze en Samuel Burkey. Decor en kostuums: Mirjam Grote Gansey; regie: Peter te Nuyl. Gezien: 4/10 Muziektheater Amsterdam. Herhalingen; 7, 10, 12, 15, 18, 21, 24, 27/10.

In 1990 bracht de Nederlandse Opera Glucks Orphée et Eurydice, de uit 1774 daterende Parijse versie van Orfeo ed Euridice, die nu in de originele (Italiaanstalige) Weense versie van 1762 wordt uitgevoerd. De opera werd overigens pas Glucks beroemdste werk in een romantische bewerking van Berlioz, ook de versie waarin die in 1949 op fameuze wijze onder leiding van Pierre Monteux door de Nederlandse Opera werd gebracht met Kathleen Ferrier in de titelrol.

Die warme, langzame en gedragen Orfeo hoort men nog steeds in gedachten bij het beluisteren van de veel puntiger en barok versierde versie die Hartmut Haenchen nu dirigeert en die soms wel erg driftig en kortaf klinkt, maar zelden echt "mooi'. Het ontbreken van de lange Parijse versie van de etherische Dans van de zalige geesten maakt de anderhalf uur durende voorstelling nòg beknopter. Maar als die om half tien is afgelopen ervaart men dat niettemin als een groot gemis.

Regisseur Peter te Nuyl heeft zijn esthetische en doordacht consequente enscenering hier en daar aangepast en bijgesteld. Het mooiste moment ligt nu voor mij bij Che puro ciel, als het enorme zilveren zijden doek aan de achterkant van het podium wordt opgehesen en glanzend valt in een uitspansel van plooien: “Nooit zag ik een zo zuiver licht” zingt Orfeo over dit gezicht op de hemel, waar hij zijn gestorven Euridice mag ophalen.

Vanachter dat zijden doek omhelst Euridice Orfeo, het enige moment van innigheid tussen hen, waarbij zij toch zijn gescheiden door die flinterdunne hemelse schijn. In de opvatting van Te Nuyl, uitvoerig beschreven in het programmaboek, is de mythische kunstenaar Orfeo alleen verliefd op zijn eigen zangkunst en het verlangen naar schoonheid. Die wordt uiterlijk verpersoonlijkt door Euridice. Maar van ware liefde voor haar innerlijk is geen sprake, concludeert Euridice als Orfeo haar zelfs niet eens wil aankijken, zoals hem door Amor is bevolen.

Als Orfeo dat uiteindelijk toch doet, sterft Euridice. Amor wekt haar weer tot leven, maar haar liefde voor Orfeo is definitief dood. Als in de slotscène de overwinning van Amor wordt bezongen, rent Euridice weg en bezorgt hem toch nog een nederlaag. Orfeo neemt er onaangedaan kennis van. Uiterlijk is dat slot door Te Nuyl sterk veranderd en ontdaan van symboliek: verdwenen is de lier waarmee in de vorige voorstelling Orfeo uiting gaf aan zijn zijn kunstenaarschap en waarmee hij Euridice letterlijk belastte.

Wie de vorige enscenering zag, projecteert die herinneringen op deze abstractere versie. Die vertelt misschien een iets ander verhaal en leidt - als men die voor het eerst ziet - tot andere conclusies dan nu voor mij mogelijk zijn. Ik vond de vorige voorstelling als geheel, muzikaal èn scènisch, toch bijzonderder.

Maar er wordt wel uitstekend gezongen. Christiane Oelze zingt een prachtige Euridice, al zou haar woede af en toe nog wat feller kunnen klinken. De Amerikaanse countertenor Brian Asawa zingt als Orfeo bij dit Europese debuut fenomenaal: hij heeft een volkomen natuurlijke en ongeforceerde hoge stem met een rijke expressie en is in staat tot perfectie in de versierende nootjes. Asawa combineert op uitzonderlijke wijze een echt mannelijk timbre met de souplesse van een sopraan. Jongenssopraan Samuel Burkey was als Amor wereldwijs, schalks en verkouden, maar Orfeo en Euridice letten toch niet op hem.