Omscholing is vaak succesvol

Omscholing kan voor werklozen een toegangskaartje voor een nieuw leven opleveren. Maar als bijdrage aan de bestrijding van de werkloosheid is omscholing een druppel op een gloeiende plaat.

Op zaterdag 27 februari viel ook bij hem de gevreesde brief in de bus: na 23 jaar trouwe dienst bij de vrachtwagenfabriek DAF in Eindhoven kon hij wegens het faillissement van de onderneming zijn biezen pakken. Nu staat hij met een bijna ontroerende overgave aan de computergestuurde draaibank van het centrum vakopleiding voor volwassenen in Eindhoven: de 44-jarige Gerard. Hij leert er het programmeren van de computer, die stalen onderdelen draait. “De arbeidsmarkt ligt op z'n kont, dus veel kans op nieuw werk geef ik mezelf - zeker gezien mijn leeftijd - niet, maar in de eventuele sollicitatiegesprekken kan ik nu wèl een puntje meer inbrengen.” Eind september kreeg hij zijn certificaat CNC-draaien (CNC staat voor Computer Numerical Control).

Tien jaar werkte de 27-jarige Anton in de wegenbouw, de twee laatste jaren als bestuurder van een loader. Vooral de eenzaamheid op deze grondverzetmachine beviel hem niet. “Ik werd er hartstikke gek van”. De huisarts had hem geadviseerd ander werk te zoeken. Bij het Arbeidsbureau adviseerde men hem bij het centrum vakopleiding van de Arbeidsvoorziening in Eindhoven een opleiding te volgen als constructiebankwerker. Hij behaalde er drie diploma's in een half jaar tijd. Op zijn stageadres, een fabriek van bouwliften, zagen ze hem wel zitten, dus boden ze hem vast werk aan waardoor hij de opleiding niet helemaal afmaakte. “Maar ik steek liever de handen uit de mouwen dan over studieboeken te hangen”, want een echte studiekop is hij niet. Met de practische vakken had hij weinig moeite, maar bij de theorie bleef hij rond een zesje hangen. “In het begin van de opleiding had ik best moeite met dat ik mijn vrijheid kwijt was. De leraar moest me in toom houden om niet voortijdig er vandoor te gaan, maar gaandeweg werd ik rustiger”. Over de opleiding - vijf dagen in de week van 8 uur 's morgens tot half 5 's middags - zegt hij: “Die was niet slecht. Bondig samengevat: ze was kort maar krachtig”. Nu is hij sinds een paar weken lasser bij de fabriek van bouwliften. “Het bevalt me hartstikke goed. Ik maak er veel overuren, dat maakt me niet uit want ik ben ongetrouwd dus als het moet werk ik dag en nacht”. Van zijn baas mag hij nu 's avonds op zijn kosten een vervolgopleiding gaan volgen zodat hij alsnog het diploma constructiebankwerker krijgt.

De 44- en 27-jarige Brabanders zijn twee van de 14.000 mensen per jaar in Nederland die zich laten om-, bij of herscholen. Het is één manier om werklozen weer aan een baan te helpen. De score van de centra is hoog: gemiddeld 80 procent vindt een baan. De bijdrage aan het oplossen van de werkloosheid is relatief gering, op een in augustus vastgestelde geregistreerde werkloosheid van 374.000 zelfs bijna verwaarloosbaar. Maar voor de meeste cursisten betekent het behalen van het certificaat het toegangskaartje tot een nieuw leven.

De 47-jarige Eva uit Eindhoven, die in een jaar tijd bij het centrum een secretaressediploma haalde en nu werk heeft: “We waren met een groep van zeventien en alle zeventien hebben ze een baan gekregen. Voor mezelf heeft het een ommekeer in mijn leven teweeggebracht: ik ben gescheiden, heb drie studerende kinderen die ik financieel bij moet staan. Ik heb een baan die me past als een jas, ik verdien er goed mee en ik kan dus met opgeheven hoofd door de stad lopen”.

Wie praat met degenen die met hun opleiding bezig zijn of ze met goed gevolg hebben doorlopen, constateert bij praktisch allen motivatie en tevredenheid.

Cursistenbegeleider Ietje van 't Hullenaar van de opleiding in Eindhoven: “de verhouding gemotiveerden/niet-gemotiveerden ligt 75-25”. Dat geldt voor de 26-jarige Max die in Eindhoven leert voor financieel-administratief medewerker (“ik kreeg er meer zelfvertrouwen door”), voor de 32-jarige Heinz, die zich van banketbakker laat omscholen tot machinaal houtbewerker (“als je niet gemotiveerd was zat je hier niet”) maar ook voor de 44-jarige psychomotoor therapeut, die na twintig jaar in dit vak volledig was afgebrand', twee jaar sukkelde en nu eveneens voor machinaal houtbewerker leert, zij het dat hij serieus betwijfeld of hij gezien zijn leeftijd nog wel aan werk kan komen.

Pag.18: Kansarmen komen niet aan bod

Op meer plaatsen in Nederland worden mensen die tot nu toe moeilijk aan de slag konden geschoold of omgeschoold. Bijvoorbeeld aan de Mariaplaats in Utrecht, waar de de vrouwenvakschool Alida de Jong is gevestigd. Op de begane grond bevindt zich de chrèche Alidada. Daar kunnen de moeders die worden opgeleid voor een baan in het bedrijfsleven, hun kinderen kwijt. De Alida De Jong School is een van de negen vrouwenvakscholen, die geografisch goed verspreid liggen over Nederland. Acht scholen zijn aangesloten bij de Landelijke Stichting Vakopleidingen van de Vrouwenbond FNV. Tesamen leiden ze per jaar 1700 vrouwen op. De vrouwen volgen - in groepsverband - cursussen die gemiddeld tussen de tien en vijftien maanden duren en voor de cursist gemiddeld 150 gulden kosten. De scholen worden grotendeels gefinancierd door Arbeidsvoorziening.

Sinds de oprichting van de eerste school in 1984 hebben in totaal 9500 vrouwen via de gezamenlijke VVS-en een weg gevonden naar de arbeidsmarkt. Beleidsmedewerker Jacolien Spijkerboer van de landelijke stichting en adjunct-directeur mevrouw Marie-Antoinette de Veth van de Utrechtse school: “Als je het bekijkt op het totaal aan werklozen is het natuurlijk een relatief klein aantal, maar als we er niet geweest waren zou het nog veel minder zijn geweest. We zouden overigens best wel meer vrouwen willen opleiden. Er zouden meer scholen als de onze moeten komen en nog meer samenwerking met het reguliere onderwijs en scholingsvoorzieningen”.

Aan om-, bij- en herscholing wordt in totaal circa 8 miljard gulden per jaar uitgegeven; bij de centra vakopleiding gaat in de technische opleiding 150 gulden per dag per cursist om. “Het geld”, zegt mevrouw drs. Ike Overdiep, beleidsmedewerker arbeidsmarkt en onderwijs van de Federatie Nederlandse Vakbeweging (FNV), “is het probleem niet. Het probleem is dat men met de manier waarop men nu aan om- en bijscholing doet de bestaande verdeling op de arbeidsmarkt versterkt. Iemand die al behoorlijk is geschoold kan zich er door verbeteren, maar mensen zonder scholing worden er niet mee bereikt. Het geld, kortom, komt onvoldoende bij de juiste groep, die van de laagst geschoolden, terecht”.

Een vakbeweging is er om voor iedereen op te komen; ook voor de zogenoemde kansarmen. Wie dat zijn? In een onderzoek uit 1989 naar bedrijfsopleidingen van de Stichting Economisch Onderzoek van de universiteit van Amsterdam werd de groep redelijk nauwkeurig omschreven: het gaat om ouderen, minderheden, gedeeltelijk arbeidsongeschikten, jeugdigen en om vrouwen. De bedrijfsopleidingen waren, zo werd in het onderzoek óók vastgesteld, vooral bestemd voor hoofdzakelijk mannen die al een vakopleiding hebben, die tussen de 25 en 45 jaar oud zijn en full-time werken.

De werkgeversorganisaties hebben er vooral baat bij dat de om- en bijscholing is gericht op de effectiviteit voor het bedrijfsleven. Mevrouw drs. Joke van den Bandt-Stel, secretaris onderwijszaken van het Verbond van Nederlandse Ondernemingen (VNO), beaamt dat. “Maar ik wil niet meegaan met de veel gehoorde kritiek dat de kloof tussen wat er op de markt wordt gevraagd en wat er wordt aangeboden te groot is. Kwalitatief valt dat best mee. Daarvoor zijn de nodige instrumenten ontwikkeld zoals studie- en beroepskeuzevoorlichting, open dagen van bedrijven en contacten met dekanen. Het bedrijfsleven is niet ontevreden over de resultaten”. Over de redementen van de centra voor vakopleiding van de arbeidsvoorziening heeft ze ook niet te klagen: “Die zijn best goed”.

Andere problemen zijn het bereiken van degenen die vroegtijdig de school verlaten en van de laagst opgeleiden. Zeer kwestbaar zijn de jeugdigen. In het actieve arbeidsmarktbeleid' voor deze groep staat het jeugdwerkgarantieplan centraal. Ze kunnen er na een half jaar werkloosheid in terecht waarna ze door moeten stromen naar scholing of naar een vaste baan als er tenminste een baan wordt gevonden. “Dat liep”, aldus mevrouw Overdiep van de FNV, “redelijk goed tot 1992. Maar in het tweede kwartaal van dit jaar steeg de jeudwerkloosheid enorm: tot 87.000 jongeren tot 25 jaar tegen 67.000 in het overeenkomstige kwartaal in 1992. Dus dat systeem barst nu uit haar voegen. Per jaar zouden er naar schatting 9000 plaatsen nodig zijn, maar de realiteit is dat eenderde van de benodigde plaatsen niet wordt gehaald.”

In het algemeen”, aldus mevrouw Overdiep. “blijkt dat het systeem van scholing niet goed in elkaar zit. Er houden zich teveel circuits mee bezig. De werkgevers en de overheid zeggen dat scholing van werkenden een zaak van de sociale partners zelf is en dat de overheid alleen zal ingrijpen bij wat worden genoemd marktimperfecties. Welnu, van marktimperfectie kan mijns inziens nu best worden gesproken”.

“De prikkel” aldus Overdiep, “bij het bedrijfsleven om mensen te scholen is onvoldoende aanwezig. Het is gemakkelijker om op een gegeven moment te zeggen dat iemand te oud en daardoor te duur is geworden en om hem daarom te ontslaan. De speciale opleidingsfondsen voor Onderwijs en Ontwikkeling of voor Arbeid en Ontwikkeling die we als vakbeweging per bedrijfssector willen, komen niet overal van de grond. Bovendien hebben niet alle werknemers er wat aan omdat de twee tot vijf dagen scholing per jaar die het fonds vergoedt, te weinig zijn”.

De FNV zou graag zien dat er in de bedrijven zelf opleidingsplannen komen, waarin alle werknemers aan hun trekken komen, ook degene met de laagste opleiding. Overdiep: “Het zou goed zijn als er te dien aanzien van de overheid wat meer druk zou komen op het bedrijfsleven. Dat gaat nu vaak pas over tot omscholing als men er door de omstandigheden toe wordt gedwongen. Maar dan moet het vaak ook veel te snel. Zo'n opleidingsplan zou een stimulans, zo men wil een stok achter de deur, moeten zijn om niet de weg te kiezen van de minste weerstand: namelijk om voor mensen die men niet meer kan gebruiken een ontslagvergunning aan te vragen”. Mevrouw Van den Bandt van het VNO: “Op zich zijn we niet tegen opleidingsplannen. Maar zulke dingen moet je niet afdwingen. Als het niet leeft bij ondernemers dan heeft het geen effect en daar gaat het dus om: om het effect”.