KNUPPELS EN WINKELS; Noodweer mag nooit ontaarden in straf

De winkelier moet weerbaar zijn en niet alleen op de politie vertrouwen, meent de Utrechts korpschef Wiarda. Als een winkelier een honkbalknuppel achter de toonbank heeft, mag hij die ook gebruiken, aldus Wiarda. Is de roofoverval in opmars? Moet een winkelier zich verzetten? En hoe oordeelt de rechter daar over?

AMSTERDAM, 6 OKT. “Natuurlijk mag je noodweer plegen.” Onder dit motto verdedigt de Utrechtse korpschef van politie, mr. J. Wiarda, dat winkeliers overvallers met een honkbalknuppel te lijf mogen gaan. Het woord "noodweer' komt echter in de wet niet voor. Deze gebruikt een afgewogen formule, die tot voorzichtigheid maant. “Het recht hoeft nooit te wijken voor het onrecht, maar dan toch onder de mits dat het ook zelf binnen de grenzen blijve.” Zo drukte de gondlegger van ons Wetboek van Strafrecht, minister mr. A. Modderman, het meer dan een eeuw geleden uit. De Nederlandse rechter pleegt niet licht te tillen aan die "mits'.

Dat een overval al gauw een situatie oplevert waarin zelfverdediging aan de orde is, valt moeilijk te betwijfelen. “Een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding” noemt ons wetboek dat. De term aanranding slaat niet alleen op seksuele benadering maar op alle bedreiging van lijf of bezit. Noodweer is ook toegestaan om voor een ander op te komen. De grote vraag blijft echter: vluchten of verdedigen? In de termen van de wet: is zelfverdediging "geboden' of is er een minder drastisch alternatief? Deze vraag laat zich moeilijk in het algemeen beantwoorden, heeft de Hoge Raad gezegd. Het antwoord hangt af van de concrete omstandigheden van het geval.

Juridisch gesproken vormt noodweer in elk geval geen blanco cheque, zo bleek in het geval van een uit de hand gelopen burenruzie waarover de Hoge Raad in de jaren vijftig uitspraak deed. De ene buurman ergerde zich aan spelende kinderen in een gang tussen de huizen en had ze al een paar keer bedreigd met gereedschappen die hij in de hand had. Toen hij weer eens met een zaag de gang in stoof, pakte de andere buurman een stok die bij de deur stond en ging er op af. De man met de zaag viel hem aan, de man met de stok draaide zich eerst om, maar bij een hernieuwde uitval van de zaag sloeg hij terug en stopte pas toen de buurman met de zaag bloedend op de grond lag - dood, naar later bleek. De Hoge Raad verwierp het beroep op noodweer. De man had zich uit de gang kunnen terugtrekken om erger te voorkomen.

Toch is het niet zo dat de vlucht-eis altijd voorop staat, betoogt de strafrechtsgeleerde prof. mr. J. Remmelink. Noodweer betekent eigenlijk dat de burger in een acute noodsituatie in de plaats treedt van de overheid, die het moet laten afweten. De vergelijking gaat natuurlijk niet helemaal op. De overheid heeft een plicht het recht te handhaven, de burger heeft geen plicht tot noodweer maar alleen een recht zich teweer te stellen. Dat neemt niet weg dat de rechter (thans ook hoogleraar) mr. A.J.M. Machielse toen hij in 1986 op noodweer promoveerde de stelling verdedigde dat er sprake is van twee communicerende vaten. “Als de overheid faalt in de opdracht die zij van de burgers heeft gekregen, namelijk het handhaven van de wet en het beschermen van lijf en goed van de burger, dan mag de burger in mijn visie zelf weer optreden.”

Dat ging al aardig in de richting van Wiarda. Machielse voegde er overigens direct aan toe dat dit niet betekent dat iedereen dan maar zijn gang moet gaan. Met name dienen de middelen die men gebruikt om zichzelf te beschermen in overeenstemming te zijn met de ernst van de gebeurtenis. En noodweer mag nooit ontaarden in een straf. Machielse: “Eigen rechter spelen is reageren op iets dat al is gebeurd. Noodweer is er juist ter voorkoming van erger.” Remmelink heeft er nog speciaal op gewezen dat men van mensen die beroepsmatig te maken krijgen met lastige klanten ook wel enige zelfbeheersing mag vragen. Hij noemde het voorbeeld van een caféhouder in de (Haagse) binnenstad.

Toch vraagt Remmelink zich af of al te gemakkelijk capituleren voor onrecht niet een “smadelijke vlucht” (turpis fuga) is. De strafrechtsgeleerden mr. N. Jörg en prof. mr. C. Kelk maken echter uit de rechtspraak op dat in Nederland vluchten juist niet als zó oneervol wordt beschouwd dat dit geweld tegen een aanvaller rechtvaardigt. Geweld lokt trouwens alleen maar geweld uit, zoals een woordvoerder van de Amsterdamse politie naar aanleiding van Wiarda's ontboezeming opmerkte.

Het laatste waarop Nederland zit te wachten is een soort wapenwedloop tussen overvallers en winkeliers. Nu hebben we hier ook een vrij strenge wapenwetgeving. Maar dat is vanuit het recht op noodweer bezien toch niet het laatste woord. Iemand die een verboden wapen bezit kan wel degelijk gerechtigd zijn dat te gebruiken, heeft de Hoge Raad gezegd. Het hangt er maar helemaal van af hoe ernstig de dreiging is waarmee men wordt geconfronteerd. Dat maakt de mogelijkheid van escalatie een juridisch gegeven.

    • F. Kuitenbrouwer