Kinderuitbuiter krijgt geen straat in Maastricht

MAASTRICHT, 5 OKT. Petrus Laurentius Regout (1801-1878), de grondlegger van de porselein- en aardewerkfabriek Sphinx, krijgt in de nieuwe Maastrichtse wijk Céramique geen naar hem genoemde straat. Hoewel er in de Maastrichtse raad een meerderheid voor is, verhindert zijn controversiële status als asociaal werkgever eenstemmigheid.

Eenstemmigheid in de gemeenteraad is nodig, omdat de raad na een eerder verschil van mening over het geven van straatnamen in een andere Maastrichtse nieuwbouwwijk besloot dat in de toekomst unaniem voor het geven van een naam besloten diende te worden. Zo niet, dan zou de naamgeving niet doorgaan. PvdA, D66 en GroenLinks zijn tegen. Op grond daarvan had het college van B en W besloten de naam van Regout niet op te nemen in de lijst van straten in de wijk Céramique.

De fracties van het CDA, de VVD en de Seniorenpartij willen wél dat Petrus Laurentius Regout met een straatnaam wordt geëerd. CDA-fractievoorzitter Th. Boven zei gisteravond in de raad dat Regout een straatnaam verdient als stichter van Maastricht als industriestad. PvdA-woordvoerder Eijssen zei dat de familienaam Regout te zeer beladen is. De PvdA vreest met D66 en GroenLinks dat daardoor oude emoties terugkeren. Al in 1958 lukte het niet op de Markt een standbeeld van Regout geplaatst te krijgen. Dat kwam er in 1965 wel in de Boschstraat, vlak voor de Sphinxfabriek. Het werd korte tijd later met witte verf beklad. Provo's hielden in 1966 een happening bij het beeld: Regout kreeg een papieren steek op het hoofd en werd vervolgens bespuwd nadat hij met waspoeder was bestrooid.

Het nieuwe Maastrichtse uitbreidingsplan is genoemd naar de aardewerkfabriek Céramique waarmee de Sphinx later fuseerde. Kunstenaars, die het aardewerk en porselein van de Sphinx en de Céramique beschilderden krijgen wel een straat naar hen genoemd.

Onder geschiedkundigen bestaat verschil van inzicht over de vraag of Petrus Laurentius Regout inderdaad de onmens is geweest waarvoor hij vaker is gehouden. Regout liet in zijn fabriek jonge kinderen werken onder ook voor die tijd erbarmelijke omstandigheden. Dat was mede de aanleiding voor de liberaal Samuel van Houten om een initiatief-wetsvoorstel op het verbod van kinderarbeid in te dienen. Met dit in 1874 aangenomen zogenoemde Kinderwetje kon Petrus Laurentius zich, zoals bleek in een brief aan Van Houten, “zeer goed vereenigen”, maar toch bleef hij kinderen jonger dan twaalf jaar aannemen. Veel van zijn werknemers kregen te kampen met stoflongen (de Pottemennekeskrenkde) of loodvergiftiging en stierven vaak al zeer jong. Tot Regouts verdienste is daarentegen aangedragen dat hij voor de arbeiders woonkazernes liet bouwen en dat er elders fabrieken waren die de arbeiders nog langer dan twaalf tot veertien uur lieten werken.

Voorstanders van een Regoutstraat zeggen dat het beleid van Petrus Laurentius gunstig afsteekt tegen dat van zijn zonen, die hun vader opvolgden. Deze zonen, Pierre, Louis en Eugène zouden vele malen asocialer zijn geweest dan hun vader, zo blijkt uit het boek De aartsvaders, grondleggers van het Nederlandse bedrijfsleven van Wim Wennekes. Hun optreden was in 1887 aanleiding voor een parlementaire enquête naar de omstandigheden in wat werd genoemd het moordhol. Pierre Regout antwoordde toen op een vraag of hij nachtarbeid voor kinderen vanaf twaalf jaar geen bezwaar vond: “Overdag kunnen ze slapen. Studenten gaan ook wel eens niet naar bed zonder daarom ziek te worden (...) Ik zeg niet dat in de fabriek werken zoo gezond is als des zomers te Scheveningen of des winsters te Nizza, maar het is een noodzakelijk kwaad; het is niet anders mogelijk.”

    • Max Paumen