In paniek

Ongeveer een maand na de val van de Berlijnse Muur luisterde ik naar Helmuth Schmidt. Hij hield een woedende alleenspraak. Helmuth Kohl had beloofd dat de Duitsers hun vereniging zouden krijgen zonder dat die in het Westen daarvoor meer belasting hoefden te betalen. Schmidt noemde het plat bedrog. De duizenden bureaucraten daar zouden zich niet bij toverslag tot de democratie laten bekeren, de miljoenen niet van de ene dag op de andere leren wat zelfstandigheid is zoals wij die in het Westen kennen. De industrie was achterlijk, het vuil zat tot vijftien meter diep in de grond, een paar generaties zouden opnieuw moeten leren leven. Dat zou het Westen geld gaan kosten, en vooral geduld en uithoudingsvermogen. Na de zege in de Koude Oorlog heeft het Westen daar niet veel zin meer in, zei Schmidt.

Hij had gelijk en hij heeft het nog. De belofte van Kohl dat de Duitsers voor hun vereniging niets extra zouden hoeven te betalen is nog altijd tekenend voor de nonchalance waarmee het einde van de Koude Oorlog in het Westen is ontvangen. Wat de Duitsers na de val van de Muur geleidelijk hebben ontdekt, vertoont in menig opzicht een overeenkomst met wat het Westen als geheel nog steeds overkomt: de opeenvolging van verrassingen naarmate de erfenis van het communisme verder aan de oppervlakte komt. Het Oosten van Duitsland demonstreert in compacte, tegelijkertijd verzwakte vorm hoe de krampen van de aanpassing kunnen - hoewel niet zullen - verlopen.

Niet alleen Kohl heeft zich op relatief kleine schaal laten verrassen nadat hij in eerste aanleg ervoor had gekozen, zich te laten voortstuwen door de golven van het onmiddellijk succes en zich tegelijkertijd te laten bedwelmen door de daarmee gepaard gaande wierookdampen van de media. Amerikanen en Europeanen gezamelijk hebben lang geloofd dat het met de hele voormalige Sovjet-Unie wel in orde zou komen, eerst nadat Gorbatsjov het ontbindingsproces naar een geweldloos einde had geloodst; vervolgens nadat Jeltsin op de tank was gesprongen en zodoende op zijn televisiegeniekst Rusland "voor de democratie had bewaard'.

Intussen weten we beter. De bloedige operette in Moskou is geen einde maar een faze. De rest van het vraagstuk blijft: de macht van de miljoenen bureaucraten in de economie; de neiging van de "nationaliteiten' om zich zelfstandig te verklaren waarna de ondernemendste mafiosi daar met zo weinig mogelijk hinder hun eer aan het particulier initiatief en de vrije markt zullen bewijzen; de overvloed aan wapens voor de export naar mafiosi in andere delen van de wereld; de macht van het leger waaraan Jeltsin zijn overleving te danken heeft; en ten slotte de 45.000 kernkoppen, een aantal dat te groot is om zelfs door de meest scrupuleuze westerse boekhouder binnen zijn administratie te worden gehouden, laat staan door een Russische.

In miniatuur hebben we intussen kunnen waarnemen wat er gebeurt als een centraal gezag bezwijkt en goed bewapende legers of benden onderling de buit gaan verdelen. Voor iedere ingreep in Joegoslavië is het nu ruimschoots te laat, en natuurlijk zijn de verhoudingen daar ook niet met die in de voormalige Sovjet-Unie te vergelijken. De enige overeenkomst is dat er telkens opnieuw iets gebeurt dat het politieke voorstellingsvermogen in het Westen te boven gaat. Daarmee is dan aangetoond dat het in het Westen telkens heeft ontbroken aan een politiek waarmee op zijn minst erger kan worden voorkomen.

Aanpassing aan de wereld van na de Koude Oorlog is voor het Westen op een andere manier een even ernstig vraagstuk als voor de naties die het communisme achter zich hebben gelaten. George Bush heeft het geprobeerd met de nieuwe wereldorde. Die is na de Golfoorlog roemloos ten onder gegaan. Bill Clinton heeft misschien korte tijd de illusie gehad dat de Verenigde Staten door de rest van de wereld met rust zouden worden gelaten zodat er een paar binnenlandse problemen konden worden opgelost. Als dit het geval zou zijn, was dat op zichzelf al een bewijs van grenzeloze naïviteit. Intussen is in Bosnië en Somalië het tegendeel gebleken. De onoplosbaarheid van die conflicten heeft de verwarring over de buitenlandse politiek tot paniek doen toenemen. Analyse volgt op analyse, theorie op theorie zonder dat daaruit de overtuiging ontstaat die voor een uitvoerbare politiek noodzakelijk is.

Het duidelijkst blijkt de Amerikaanse verwarring in Somalië. Hoewel in de verste verte niet vergelijkbaar met Joegoslavië is er opnieuw een overeenkomst. Het is te laat om er een goed einde volgens westerse maatstaven aan te maken. Het Joegoslavische vraagstuk is en blijft een Europese of algemeen Westelijke aangelegenheid. Somalië is een voorbeeld van humanitaire zelfoverschatting. Misschien was het beter geweest, met de sterkste plaatselijke "krijgsheer' te pacteren waardoor de garantie was ontstaan dat om te beginnen zoveel mogelijk mensen te eten kregen en er, wie weet, op den duur een begin van een politieke structuur was ontstaan. Ook daarvoor is het nu te laat. Het beste zou het zijn, van Mogadishu een mini-Saigon te maken, en daarna alle aandacht te concentreren waar die hoort: op Moskou, de enige echte tijdbom die de zorg van het Westen is.

De eigenschap van paniek is dat de grote vraagstukken niet meer van de kleine worden onderscheiden. In die toestand begint het Westen nu, na vier jaar onderschatting van alles wat op de overwinning in de Koude Oorlog is gevolgd, zichtbaar verstrikt te raken.

    • H.J.A. Hofland