HOOP & ZEGEN; Het beste der natuur

Het postmodernisme heeft De Grote Vertellingen failliet verklaard.

Maar de mens kan nietleven zonder hoop.

Gelukkig staan op de puinhopen van de grote ontnuchtering nog voldoende strohalmen.

Nederland is een gecultiveerd land. Het landschap ligt er zogezegd kant bij. Overzichtelijke kavels, begrensde bospercelen, een keurig recht gestreken kustlijn. In Nederland is de natuur zelden angstaanjagend, en afgezien van een enkele bocht te veel in de Ooy-polder kun je er doorheen zoeven als over een autoweg. Veel natuurliefhebbers is dat een doorn in het oog. Zij houden niet zo van de zorgvuldig bijgehouden rococo-landschappen en denken bij het woord "natuur' liever aan woeste, romantische wouden waar plant en dier in een Darwinistische overlevingsstrijd gewikkeld zijn. Zij hangen het standpunt aan dat "de natuur haar eigen gang moet gaan'.

Dat is een interessant standpunt, want het schildert "de natuur' af als een zelfstandig organisme, als een mevrouw. Een vrijgevochten mevrouw met wilde haren, die een eigen wil heeft en die haar zelfgekozen ontwikkeling volgt. Uiteraard is die ontwikkelingsgang "natuurlijk' en daardoor goed. De natuur weet zelf het best wat goed voor haar is, dus daar moet de mens verder van af blijven. In deze visie bestaat de mensheid uit good guys en bad guys: de kwaden zijn de milieuvijanden, vervreemde creaturen die er een sport van maken te vervuilen, te veel te vissen, dieren in hokken te stoppen en grondstoffen te verbrassen, en de goeden zijn degenen die "geven om de natuur'. In deze zin heeft de term "natuurlijk' een morele betekenis.

Volgens een aantal professionele natuurbeheerders is dat echter een naïef standpunt. “Waarom is niets doen in de natuur het natuurlijkst?” schrijft Van Dijk, vroeger werkzaam bij Staatsbosbeheer en nu bij het ministerie van landbouw, natuurbeheer en visserij, “Zonder begrazing verdwijnen er allerlei planten- en diersoorten. En bij niets doen wordt Nederland een groot bos.” Hij pleit voor een pragmatische mix van verschillende soorten beheer en voelt er niets voor “zich te beperken tot niets doen omdat de natuur die op deze manier ontstaat kosteloos en waardevol zou zijn”.

Wiedt de tuin zichzelf of moeten wij hem wieden? Het eerste standpunt is ideologisch gezien beslist interessanter; in pragmatische oplossingen zit nu eenmaal weinig spiritualiteit. En het zou een mooi ding zijn als we onze hoop konden stellen op een zelfregulerende natuur die ons als dank voor de geringe bemoeienissen kosteloos zou zegenen met al het fraaie dat zij te bieden heeft. Goed doen door niets doen; zo droomt een mens zich slapend rijk.

Het geloof in de goedheid der natuur vult een ideologische leemte die is ontstaan door het verdwijnen van verouderde politieke idealen. In de jaren zestig, toen politiek engagement als een bewijs gold voor morele verhevenheid en een spandoek de drager ervan tooide met de kroon der democratie, was geen politicus wakker te krijgen voor milieuzaken. Het was toen letterlijk de aangelegenheid van een kabouterbeweging. Maar dezelfde mensen die in die tijd hun ziel verkochten aan de industrie, die heen en weer scheurden in zware bolides en die de micro-omgeving verpestten door het roken van dikke bolknakken, namen toen ze eenmaal de politici van de jaren tachtig waren geworden bij elk beleidsvoorstel het natuurargument in de mond. Zaten ineens politici die je ervan verdacht dat ze het liefst in een sportvliegtuigje door het luchtruim zouden raggen verregaande milieumaatregelen te bepleiten, terwijl de boeren - tot die tijd beschouwd als dicht bij de natuur staande simpele zielen - ineens werden afgeschilderd als gewetenloze schurken die om geldelijk gewin met de hormoonspuit zwaaiden en te veel ammoniak uitstootten.

Het lijkt een bizarre omkering van zaken, maar het is toch logischer dan het lijkt. Juist in die jaren tachtig begon het postmoderne wantrouwen tegen de klassieke politieke leerstellingen wortel te schieten. Men geloofde niet meer zo in die praatjes over vrije markt, overheidsregulering, klassenstrijd of solidariteit. Het politieke bestel werd op Europees niveau vertimmerd, en voor de Tweede Kamer werd een nieuw gebouw neergezet, maar de burger was niet meer naar de stembus te krijgen. Het nieuwe elan zou ergens anders vandaan moeten komen.

Het bleek geen slechte greep daarvoor "het milieu' aan te grijpen, want we laten ons heel wat aanleunen in naam van de ecologie. De ene heffing na de ander, gecompliceerde manieren van vuilinzameling, achteruit sukkelende bedrijfstakken en het "teruggeven' van cultuurgronden aan de natuur.

Dat laatste verschijnsel symboliseert het fraaist ons schuldgevoel, onze bijna religieuze bereidheid om offers te brengen en af te staan wat eens zo belangrijk voor ons was.

Op verschillende plekken in ons land worden landbouwgronden teruggekocht van boeren en braak gelegd op het altaar der natuur. En in Groningen speelt men met het plan om een gigantisch gebied van zesduizend hectare akkerland onder water te laten lopen. Wat we met de ene hand aan de zee ontworstelen, geven we met de andere hand gul terug. Als dat geen religieus ritueel is.

We hebben onze hoop gesteld op andere zaken dan een decennium geleden en een van die dingen is een natuurlijke omgeving. We hopen op zegening met het beste der natuur. In het persoonlijke vlak openbaart zich dat in wilde tuinen en met veel terracotta en bloeiende planten verfraaide dakterrassen. Voorlopig doen vooral de tuincentra er goede zaken mee.

Wat doen mensen in uw omgeving om er de moed in te houden? Aan welke eigentijdse strohalmen klampen zij zich vast in de strijd tegen de ideologische ontnuchtering? Stuur een korte beschrijving van max. 300 woorden naar:

HOOP & ZEGEN Postbus 24 1390 AA Abcoude

De beste inzendingen zullen in deze serie worden verwerkt.

    • Willem Pijffers