Het orkest

De harmonie, de absolute harmonie. Als alles strijkt en blaast, de hele ruimte trilt en dreunt.

De opgekropte energie. Saamhorigheid. Het lustig heen en weer en op en neer. Het grijpen van de vingers, bollen van de wangen, deinen van de paukenist. Een glazen tingeltje. Onhoorbaarheid van harp en xylofoon. Het wulpse van de cello's. De rondingen van bassen die erachter staan. De strak gespannen snaren over diepe O's. De dirigent die zich de lucht insteekt. De krullen van een vrouw. De lange plooien van haar zwarte jurk. Zij glimlacht telkens op een stil moment. Hoezo? Voor wie? Het schaamteloze zitten van een tweede violist. De spanning in zijn bovenbeen. Zijn wrange mond, zijn kille blik. Oké, ik strijk mijn nummer netjes mee. Het duwen met de kaak alsof het jeukt. Het kopjesgeven aan het instrument. Het heftig blozen, zweten aan de slaap. Het wringen met het bovenlijf. Het wippen met de voet. Een ernstig meisje met fagot. Het holle mondje van de starre pijp. Waar wacht zij op? Waar denkt zij aan terwijl ze wacht? Zo jong, zo mooi, zo onbedorven nog. Daar komt het puntje van haar tong. Met dunne lippen proeft ze aan het riet. Dan kijkt ze even naar de dirigent. Ik ben bereid, geeft u het afgesproken teken maar. De goede wil. Terwijl de tijd verstrijkt. Een notie van verdriet. De eenzaamheid, de absolute eenzaamheid.

    • Koos van Zomeren