Gewetensfunctie

ER HEERST een morele crisis. Deze diagnose van paus Johannes Paulus II in zijn tiende encycliek Veritatis Splendor (schittering der waarheid) zal ongetwijfeld ook buiten de kring van zijn geloofsgenoten weerklank vinden. In brede kring heerst onbehagen over het gegroeide moreel relativisme, zoals de paus het noemt. Des te teleurstellender is het antwoord dat deze encycliek geeft. Inhoudelijk is het voornamelijk een herhaling van behoudende leerstelligheden op het gebied van abortus, voorbehoedsmiddelen en huwelijk. Nieuw is de beperkte rol die de paus ziet weggelegd voor het individuele geweten.

Dat is niet alleen lastig voor katholieke theologen, die hun vrijheid van wetenschapsbeoefening zien beknot. De onderschikking van de gewetensvrijheid aan formele gezagsstructuren heeft ook implicaties voor de plaats van de kerk in de samenleving als geheel. Zonder overdrijving kan van de gewetensvrijheid worden gezegd dat zij een van de meest elementaire rechten in een democratische rechtsorde vormt. De gewetensvrijheid is naar haar aard een individueel recht naast de meer collectief bepaalde vrijheid van godsdienst. Naast, en niet ondergeschikt aan.