Einde dreigt voor "kleine prins' Pepijn

DEN HAAG, 6 OKT. De commissie kunsten van de Haagse gemeenteraad buigt zich vrijdag over de vraag of de jaarlijkse subsidie van 173.000 gulden voor het Pepijn-theater kan worden geschrapt, zoals wordt voorgesteld in de beleidsnota Sterren aan het firmament van B&W. Vorige week hebben Paul van Vliet en Ferd Hugas van het Pepijn-bestuur tijdens een hoorzitting van de commissie gepleit voor afwijzing van het voorstel. Als de subsidie vervalt, zeggen zij, moet het theatertje worden gesloten.

Theater Pepijn, gevestigd in twee verbouwde pakhuizen in de Nieuwe Schoolstraat, fungeert als proefpodium voor jonge cabaretiers en biedt ruimte aan gevestigde artiesten als Youp van 't Hek, Hans Liberg en Paul van Vliet die, met de tekst nog in de hand, hun nieuwe voorstellingen willen testen. Volgens de nota van B&W ontbreekt het Pepijn aan nationale uitstraling. “Geen wonder,” zegt Hugas. “Beginnende cabaretiers hèbben nog helemaal geen uitstraling, dus er wordt in de kranten zelden over geschreven.” Het college meent dat de Pepijn-programmering gedeeltelijk kan worden overgenomen door het pas verbouwde theater Diligentia, dat echter - in tegenstelling tot eerdere plannen - nog niet over een kleine zaal beschikt.

Een landelijke uitstraling had Pepijn wel in de tweede helft van de jaren zestig, toen het in lange series werd bespeeld door de gelijknamige cabaretgroep met Paul van Vliet, Liselore Gerritsen, Ferd Hugas en Rob van Kreveld. Het theatertje was destijds een initiatief van Van Vliet, pas afgestudeerd als meester in de rechten, die voor de verbouwingskosten (100.000 gulden) een schenking kreeg van het Anjerfonds en leningen van Douwe Egberts en Heineken. Het werd op 18 december 1964 geopend, op dezelfde dag dat elders in de stad het Gebouw voor K&W afbrandde. Bij de opening zei de toenmalige burgemeester Kolfschoten dan ook: “La grande reine est morte, vive le petit prince!” Bij de honderdste voorstelling schonk de commissaris van de koningin een piano. De Haagse journalist mr F. Dony schreef in die tijd dat Pepijn “uitstekend gedijt op de cocktailnatte bodem van de Haagse society”.

De eerste zeven jaar draaide Pepijn zonder subsidie. Maar toen Paul van Vliet in 1971 een solocarrière begon en zijn gezelschap uiteenviel, deed men met succes een beroep op de gemeente Den Haag. Sindsdien werd het verhuurd aan een groot aantal groepen en solisten die in sommige gevallen pas later grote faam verwierven. Er worden zo'n 200 voorstellingen en concerten per jaar georganiseerd, met een gemiddelde zaalbezetting van 60%. “Hoger is onmogelijk,” aldus Hugas, “want het gaat vaak om nog onbekende namen. De eerste keer dat Youp van 't Hek hier speelde, zaten er tien à vijftien mensen in de zaal.” Er is ruimte voor honderd bezoekers.

Vorig jaar kon het theatertje nog voor 35.000 gulden worden opgeknapt, dankzij een lening van de bv Pepijn van Van Vliet. Het bestuur acht het echter onmogelijk de exploitatie zonder subsidie voort te zetten. “Volgens de cijfers moet het dan dicht,” zegt Hugas. “Of je zou op zoek moeten naar mecenassen, maar in commercieel opzicht is het natuurlijk absoluut niet aantrekkelijk.” B&W hebben voorgesteld de subsidie reeds per 1 januari te schrappen. Van Vliet heeft aangekondigd dat hij in dat geval een klacht wegens onbehoorlijk bestuur zal indienen bij de Raad van State.