De berichtgeving komt straks in politieke handen

Het onlangs ingediende wetsontwerp tot wijziging van de mediawet is een regelrechte aanslag op de vrijheid van meningsuiting, aldus hoogleraar informatierecht E.J. Dommering. De nieuwe wet bepaalt dat programma's van gemeenschappelijk belang worden ondergebracht in een nieuwe NOS, waarin de zendgemachtigden het voor het zeggen krijgen. En dat terwijl geen publieke omroep in Europa zo commercieel is als de Nederlandse.

Bij de Tweede Kamer is een wetsontwerp tot wijziging van de Mediawet ingediend, getiteld "Versterking van de publieke omroep'. Als wij de minister van WVC en woordvoerders van het CDA en de PvdA moeten geloven, moet het vliegensvlug worden aangenomen omdat anders de publieke omroep niet zal overleven. Het opvolgen van dit politieke advies is echter de beste manier om dat einde inderdaad te bewerkstelligen. Bovendien heeft het wetsontwerp bedenkelijke kanten.

Zowel in de Verenigde Staten als in West-Europa is in de jaren dertig de slag gestreden wie in het machtige medium van de omroep de baas zou zijn, de politiek of de markt. In de VS kwamen de elektronische media in handen van machtige marktpartijen die hun inkomsten uit de markt van de adverteerders halen. In Europa won de politiek en werden omroeporganisaties gevormd waarvan de leiding rechtstreeks onder politieke controle stond (Italië en Frankrijk), of indirect de politieke opvattingen van de samenlevingen weerspiegelde (Verenigd Koninkrijk en Duitsland). Deze organisaties werden gefinancierd uit bijdragen van het publiek, in Nederland beter bekend als de omroepbijdrage. Vooral de BBC is een model geworden van een "public service' die de culturele en maatschappelijke behoeften van het gehele publiek bediende, ook als het om een minderheid daaruit ging.

Het Nederlandse stelsel is een eigenaardige variant van het Europese. In plaats van de politieke representatie op het niveau van de leiding van een grote organisatie met voldoende schaal onder te brengen, werden zendvergunningen verstrekt aan te kleinschalige organisaties, die maatschappelijke stromingen vertegenwoordigden. Tezamen konden zij een of meer netten programmeren. Dit systeem berustte op een dubbele fictie. De eerste fictie was dat op deze manier iedere dag een politieke stroming zou worden bediend; iedereen keek naar zijn "eigen' zender. De tweede fictie was dat die individuele zendgemachtigden ieder weer als een publieke dienst met een gevarieerd programma iedereen zouden bedienen (de AVRO: "wij zijn de enige echte nationale omroep').

Eind jaren zestig werd opnieuw de slag tussen de markt en de politiek gestreden. De Nederlandse politiek wees de commerciële omroep af, maar introduceerde reclame als tweede financieringsbron, daarmee het mechanisme dat het stelsel zou commercialiseren inbouwend. Op een ander punt werd er echter winst geboekt. De Omroepwet van 1967 bracht een samenwerkingsverband tot stand: de Nederlandse Omroepstichting (NOS), die gezamenlijke bestuurlijke taken ging vervullen en op programmatisch gebied werd belast met de uitzending van programma's van gemeenschappelijk (nieuws, sport, nationale evenementen) en maatschappelijk belang (cultuur, minderheden). Het bestuur van deze organisatie bestond voor de helft uit de zendgemachtigden, voor de helft uit onafhankelijke leden, en het had een onafhankelijke voorzitter. De NOS kon dus in beginsel onafhankelijk van de zendgemachtigden opereren als een echte publieke dienst. Zij kon wettelijk bovendien voor iedere participant in de omroep bindende besluiten nemen.

Samenvattend: In de jaren zeventig werd de reclame in de publieke omroep ingevoerd, in de jaren tachtig werd de meerderheid in het NOS-bestuur bij de zendgemachtigden gelegd en de privatisering van binnen uit onmogelijk gemaakt. Beziet men de huidige situatie dan kan de wetgever terug zien op geslaagde arbeid: er is geen publieke omroep in Europa die zo commercieel is als de Nederlandse, de macht van de deelbelangen in Hilversum is maximaal versterkt, en de ruimte die er was voor een commercieel station is bezet door een buitenlandse aanbieder. Het voorliggende wetsontwerp legt de laatste hand aan deze constructieve arbeid.

Het wetsontwerp "Versterking publieke omroep' beoogt de samenwerking te vergroten, en een exploitatie per net mogelijk te maken. Het introduceert op dit punt ook enige bevoegdheden voor het NOS-bestuur. Wie het wetsontwerp bestudeert zal echter zien dat overal waar een regel wordt ingevoerd om het belang van de publieke omroep te versterken, een corresponderende regel wordt ingevoerd dat belang frustreert. Daarmee legt het de randvoorwaarden neer voor de desintegratie die met de Mediawet is ingezet. Een kleine bloemlezing: Er wordt een bestuur per net ingevoerd om een exploitatie per net mogelijk te maken. Daarmee in strijd is dat afzonderlijke zendvergunningen voor een periode van maar liefst tien jaar aan de omroepverenigingen worden gegeven, die hun autonomie moeten behouden willen ze na die periode overleven.

Het bestuur van de NOS en de voorzitter kunnen bindende aanwijzingen geven voor de coördinatie van de netten en de programmering. Daarmee in strijd is dat de zendgemachtigden van deze aanwijzingen in beroep kunnen bij een geschillencommissie.

De gezamenlijke omroep moet slagvaardiger kunnen opereren. Daarmee in strijd is dat de bestuurlijke NOS thans geheel in handen komt van de omroepverenigingen en nog maar op een beperkt gebied bindende besluiten kan nemen.

Er wordt dus een bestuursstructuur neergezet die het antagonisme van de deelbelangen zal verhevigen. Zolang de overheid jaarlijks honderden miljoenen in deze structuur blijft steken, zal ook dit Hilversum zich onder aanvoering van een geschillencommissie met succes de 21ste eeuw in kunnen vergaderen.

Wanneer dit wetsontwerp in de Tweede Kamer wordt behandeld, zal ook ditmaal het lied der autonomie en pluriformiteit uit de koffergrammofoon van het CDA-Kamerlid Beinema opklinken. Hoewel de plaat door de tijd een geducht aantal krassen heeft opgelopen, blijft de melodie sympathiek. De muziek moet ons echter niet blind en doof maken voor het feit dat dit wetsontwerp een regelrechte aanslag op de vrijheid van meningsuiting vormt. De aanslag heeft een tweeledig karakter gericht op de ongedaanmaking van twee moeizame stappen voorwaarts uit het verleden: de NOS als politiek onafhankelijke publieke dienst en het Commissariaat als politiek afstandelijk bestuursorgaan.

Het ontwerp beoogt de NOS als programma-instelling te splitsen. De programma's van gemeenschappelijk belang worden ondergebracht in een nieuwe NOS waarin de zendgemachtigden het voor het zeggen hebben. Dat betekent niet alleen dat de algemene berichtgeving onder rechtstreekse controle komt van politieke zendgemachtigden. Het betekent ook dat de investeringsbeslissingen ten aanzien van programma's die van gemeenschappelijk belang zijn, wordt gelegd in handen van partijen die er geen belang bij hebben het gemeenschapelijke belang te versterken. Dit kan leiden tot verzwakking of afbraak van NOS-rubrieken waarin de algemene berichtgeving wordt verzorgd.

De splitsing van de NOS brengt de culturele taken (waarin niet in voldoende mate wordt voorzien door andere zendgemachtigden) onder in een nieuwe organisatie, waarvan het bestuur geheel door de minister van WVC wordt benoemd. Die nieuwe programma-stichting moet op het derde net samenwerken met twee zendgemachtigden, de VARA en de VPRO. De kans dat de "public service' organisatie daardoor deel gaat uitmaken van een samenwerking met een politiek karakter is niet denkbeeldig. Wat men nu verder ook van die andere twee zendgemachtigden mag vinden, het is niet de doelstelling van een publieke dienst zich in een politieke bedding te begeven.

WVC verschaft zich met dit wetsontwerp weer ruime bevoegdheden over de inhoudelijke gang van zaken in Hilversum door belangrijke beslissingen als de vergunningverlening aan zich te trekken, en enkele bevoegdheden bij het Commissariaat terug te halen. De controle op de inhoud heeft onder meer betrekking op de beoordeling van de programmatische beleidsplannen van de zendgemachtigden, hun optreden als zendgemachtigde, en de definiëring van de programmatische taken van de NOS. De zweep van het door de dagelijkse politiek gecontroleerde WVC kan weer als vanouds in Hilversum knallen.

Het ontwerp vertoont de duidelijke kenmerken van wat Marc Chavannes in zijn kroniek de stroperige bestuurspraktijk van Nederland noemde. Er is een compromis in elkaar geflanst in een rechtstreeks overleg tussen het belanghebbende ministerie, de dominante marktpartij en de regeringspartijen, waarin er voor alle betrokkenen iets te verdienen viel (WVC: meer bevoegdheden, de zendgemachtigden: meer macht voor hun deelbelangen, de politieke partijen: greep op twee zenders, de NOS-voorzitter: een extra bevoegdheid). Het publiek om wie het allemaal te doen is, was niet bij deze onderhandelingen vertegenwoordigd. Het compromis is ook niet in zijn belang. De stroperigheid is de onmacht van de politiek een moeilijk transformatieproces te leiden. De NOS en haar voorzitter hebben in de huidige wettelijke constellatie niet de besluitkracht om met een hechte structuur te komen. Daarom wordt de splitsing voorgesteld in de hoop dat een deel van de NOS van de strijd der deelbelangen zal worden verlost. De zendgemachtigden zijn niet in staat vrijwillig in een grotere structuur op te gaan. Zij hebben immers hun wettelijke taak autonoom te zijn naar behoren vervuld, en zich in de samenleving ingegraven met een omvangrijke verenigingsorganisatie. Die positie zullen zij met hand en tand verdedigen.

De parlementariërs hebben thans dit wangedrochtelijke compromis van het kabinet voorgeschoteld gekregen met de begeleidende boodschap: neem dit snel aan of ik schiet. Als zij ferm zijn trotseren zij dit politieke bevel, en verwerpen zij het ontwerp integraal. In Hilversum zal men daar niet blij mee zijn. Zijn zij minder ferm dan beperken zij de splitsing van de NOS tot de afsplitsing van de bestuurlijke taken, herstellen zij de onafhankelijkheid van het bestuur van de een ongedeelde NOS programmastichting, versterken zij de coördinerende bevoegdheden van het NOS-bestuur, en laten zij het concessiestelsel bij het oude.

Maar als zij het politieke bevel opvolgen moeten ze zich er van bewust zijn dat zij slechts een bijdrage hebben geleverd aan de versterking van de invloed van WVC op de vrije meningsuiting via de elektronische media. Niet aan de versterking van de publieke omroep die bedolven wordt onder nog meer regels, nog meer bestuursorganen, nog meer procedures.

De kijker zal het allemaal worst wezen. Die zapt rustig verder op zoek naar het programma van zijn keuze. Wat de politici dus ook doen, veel stemmen zal het in de verkiezingen niet kosten. Maar als zij het ontwerp aannemen is er weer een litteken aangebracht op het beschadigde prestige van de democratische besluitvorming in Nederland.

    • E.J. Dommering